DE ZELFMOORDENAAR

Hè hè, lekker hangt dat. Ideale hangplek, beetje benauwd wel. Als hij naar beneden kijkt, kan hij net zijn laarzen zien. Kijkt hij omhoog dan ziet hij de rand van zijn hoed. Hij hoort zijn tanden knersen. Tot verbazing van de mussen. ‘Ik stik als ik maar even afdaal in mijn eigen ik’. Dat had hij ooit geschreven. Nou, dat lukt aardig. Hij had wel meer geschreven. Schrijver wilde hij zijn. Wie schrijft die blijft. Vergeet het maar. Vergeet alles.

Schiedam. Daar heb ik dus bijna dertig jaar gewoond, dertig jaar te lang. Wat een vergissing. En ik dacht nog wel dat Den Helder erg was. Daar heb ik het wel 18 maanden volgehouden, 1862-1863, eerste spirituele oorlog. In het begin ging het nog wel. Mijn eerste preek ging er in als koek. Ik begon met: Wie nooit vlak aan zee gewoond heeft, weet eigenlijk niet wat of waaien is. Daar keken ze van op, gewone taal, dat waren ze niet zo gewend van een dominee. En dan nog mijn vergelijking met zondige vrouwen, daar hadden ze niet van terug. Vooral die marinemensen niet, ze keken bezorgd opzij naar hun vrouw. Maar wat heeft Den Helder me nu opgeleverd? Ja, mijn vrouw, JJM, het bazige serpent. En veel te veel werk. Voor mijn afscheidspreek koos ik een toepasselijke tekst uit het evangelie van Lucas. “De oogst is groot, maar werklieden zijn er weinig. Vraagt dus den Heer van den oogst dat Hij werklieden zendt”. Dat vonden ze niet leuk. En hup, naar Schiedam dan maar. Waarom Schiedam? Om te beginnen een dubbel traktement, JJM ook tevreden. En dan de aanwezigheid van talloze branderijen en mouterijen, dat leek me niet verkeerd, een frequent en regelmatig rantsoen van dubbelgebeide. En ik dacht naïef dat de opvattingen daar een tikkeltje meer bij de tijd zouden zijn. Dat de slang bijvoorbeeld niet perse zou hoeven hebben gesproken. Wat een misrekening. Schiedam, zwart Nazareth. Vuil, stank en armoede. Het enige waar ik nog een beetje lol in had, was het schrijven. Preken weliswaar, maar toch. Het sleutelen aan een tekst, zoeken naar het juiste woord, overbrengen van het gewenste gevoel. Er zijn zelfs wat van die preken en lezingen gepubliceerd. Maar ook dat viel weg. Alles viel weg. Sytske dood, Nico, zelfs JJM vond het nodig dit keer voor de verandering de plaat te poetsen. Wat viel er toen nog te geloven. En te schrijven.

 En het begon zo mooi. Student in Leiden, de Sleutelstad. Eindelijk Friesland uit. Op de Hoogewoerd vond ik een kamer. Net boven Ewijk die nota bene doodbidder was, alsof de duvel ermee speelde. Die keek altijd naar me of hij me zo zou komen halen. Daar heb ik nog een gedichtje over gemaakt. Stond in de Studentenalmanak, als veel meer gedichten die ik schreef. Meer akelig dan mooi, zei een grappenmaker. Maar wat had ik er een plezier in. Ik werd redacteur van de almanak en definitief Piet. Elke verliefdheid werd een gedicht. Mina met een kolk van gevoel in haar blik. Urenlang zat ik ’s nachts op de stoep met een oog op haar raam. Tot de meid van de melkboer me wegjoeg. En dan regelrecht naar het bierhuis van Vater Müller in de Breestraat. Bierrijk ontbijten en ’t heilig Iö Vivat zingen met Gerard, Martinus, Jacques, ach waar gebleven, aan onze eigen tafel, de Leeuwerik. Bomen over literatuur. Maar ook op zijn tijd hengsten met vlijt. De colleges van Scholten en Kuenen. Daar werd ik even tamelijk stil van. Je hoefde de bijbel niet letterlijk te nemen. De slang in de tuin van Eden had niet gesproken, een slang kon toch niet spreken, het was een metafoor voor de onzegbare werkelijkheid, zoals in oude mythen en sagen. Gelukzalig zag ik het licht. Dat was het, natuurlijk, zo zat het. Zes lange jaren duurde het. En toen kon ik de wereld in.

 Mijn eerste standplaats. Foudgum, Friesland, begin jaren 60. Meteen weer François geworden. De kerkeraad, twee ouderlingen en één diaken. Norse plattelanders, trots op hun cultuur en afkomst. Maar benepen in hun opvattingen. Vooral als het over het geloof ging. Dan werden ze snel bevangen door een wonderlijke kippedrift. Hoezo had die slang niet gesproken? Warempel wel. Dat stond toch in de bijbel! Hoe oud was ik toen. 24, zo jong? Die lui waren meer dan het dubbele. En dan moest ik serieus met ze in discussie gaan. Gek werd ik ervan. Als Eelco er was en we enkele kruiken Beiersch bier achter de kiezen hadden, deed ik ze na met hun Fries, hun maniertjes, hun beperkte denktrant. En toen werd het idee geboren. We zouden ze wel krijgen, die Friese opscheppers. Een manuscript in elkaar flansen, waarin we bewezen dat Friesland de oorsprong van de beschaving was, superieur aan de Griekse en de Romeinse. Een oude kroniek met mythen en sagen, zogenaamd uit 1256. Met oude Friesachtige taal, het oer-Fries, en zelfontworpen lettertekens, runen. Het papier dat oud moest lijken. We maakten het bruin en stopten het zelfs een nacht in de grond, waardoor het rafels, scheuren en zelfs een wormgat kreeg. Toen het verhaal bedenken en de runen op het papier tekenen. Avonden lang werkten we er aan, met het dalen van het peil in de fles steeg ons verbeeldend vernuft. ‘Oera Linda’ noemden we het. Het manuscript speelden we toe aan Ottema, blaaskaak en prominent lid van het Provinciaal Friesch Genootschap ter Beoefening van Friesche Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, de naam zegt het al. Ottema trapte er met beide benen in. Groot nieuws. De kerkeraad sprak nergens anders meer over. Het enige licht in een duistere tijd.

1879. Een andere boom, geen eik, een beukeboom. Met Rika ging ik naar Twente en we overnachtten in logement Carelshaven. In de vroege morgen zei ik tegen Rika: ‘Ik heb straks een verrassing voor je.’ ‘Een verassing?’, vroeg Rika. ‘Nee, een verrassing.’ Na de koffie nam ik haar mee het bos in. Bij een beuk achterin het bos stopten we. Ik gaf haar een kus, zag vanuit mijn ooghoek een donkerbruine slang het duister van de varens inkronkelen, haalde mijn zakmes uit mijn ransel en zei: ‘Nu komt de verrassing.’ En zorgvuldig bijtelde ik mijn naam in de beuk. Twaalf letters maar liefst. Bij de laatste letter drong zich de gedachte op of wat hier gekerfd stond ooit gezien zou worden. Maar dat gebeurde sneller dan verwacht. Net toen ik aan de naam van Rika wilde beginnen, kwam er een heer langs. Deze zei grimmig: ‘Wat zou u ervan vinden, als ik u eens in het gelaat zou krassen?’  Ik wist van schrik niet wat ik moest zeggen, maar Rika zei brutaal: ‘O, past u maar op voor hem, hij heeft pas nog een spoorwegramp veroorzaakt.’ De heer was al doorgelopen en wij stonden te snikken van de lach. Maar Rika’s naam heb ik niet afgemaakt. Niks heb ik afgemaakt.

 Hè hè, lekker hangt dat. Wel steeds benauwder. Had de worgengel toch nog gewonnen. Maar goed dat hij het koord van de bedstee in zijn zak had gestopt. Hij ging er dan toch een eind aan maken. Niemand had hem zien weggaan. Het begon te waaien, de aankondiging van de eerste herfststorm. Het viel nog niet mee een wat afgelegen eik te vinden. In het schemerduister. Maar het was hem gelukt. Hij begon zich weer een hele Piet te voelen. Maar waar kwam dat licht vandaan? Wat zag hij? Wie? Was hij er toch weer ingetuind.

een_heer_in_zijn_ee_100721a

 

Advertenties

One thought on “DE ZELFMOORDENAAR

  1. ik zat 2 jaar op een crhistelijke landbouw school , kreeg ik ook bijbel onderwijs van dominee Derde uit Purmerland , vergeet die man mijn hele leven niet 🙂
    weet niet in welke tijd van het jaar het is , ging over dat 1 van de zonen van A en E naar het buitenland ging en daar een andere vrouw trouwde
    ik vinger in de lucht , zeg het eens Karel
    vanwaar komt die vrouw
    moet tot op de dag van vandaag , nog antwoordt krijgen 😉

    fijne avond groet

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s