EEN WARM WELKOM

Je komt met niks op de wereld en ook bij je finale aftocht heb je niet veel bij je. Een doodshemd heeft geen zakken, werd er wel gezegd. Ik zou eigenlijk niet weten waarom niet. Vraag maar eens aan de Egyptische farao’s. Doodshemden zie je niet meer zo. Nicolaas Beets schreef in zijn Camera Obscura een vrij larmoyant verhaal over het diakenhuismannetje, dat maar één wens had, namelijk te worden begraven in zijn eigen doodshemd. Kom daar nog eens om. Tegenwoordig gaan we de kist in met onze beste kleren, een jurk of een broek en hemd, eventueel een jasje. Daar zitten heel wat zakken in. Zelfs als je verbrand wordt, gebeurt dat in je goeie goed. Vorig jaar overleed mijn moeder, ze was 100 jaar. In de loop van haar leven had ze een en ander verworven. Niet overdreven veel, daar hield ze niet van. Liever gaf ze wat ze had aan anderen. Neem maar mee, zei ze, als je iets mooi vond. Toch had ze wel wat. Een statenbijbel van haar ouders. Een huis met een man, een poes, kinderen en de daarbij horende inboedel. Wat vooral stichtelijke boeken, wat fotoalbums, kleren. En haar geliefde muziek, een oud trapharmonium, cd’s, bladmuziek. Maar dat werd allengs minder: de kinderen gingen de deur uit en de man stierf in 1999. Ze woonde nog een jaar of tien in het lege huis en vertrok toen semivrijwillig naar een verpleeghuis. Al wat restte in het nog legere huis pleurden we in een container en dat was dat. In het verpleeghuis had ze een kleine kamer met een stoel, een bed en wat eigen spulletjes, waaronder de cd’s, de fotoalbums, wat persoonlijke papieren. Ze woonde er nog zes jaar en ging toen dood.

vruchtdessertdoos

Tussen haar overgebleven spulletjes was een soort bonbondoosje of koektrommeltje, een beetje zeshoekig met afgeronde punten. Voorop stond een deels vervaagd stilleven met wat appels, druiven, takjes groen en een glazen potje met een bolvormige afsluiting. Achterop stond een gestanste tekst: A. GOEDHART SZ. – VRUCHTDESSERT – ZAANDIJK. In dit doosje zaten oude brieven. Heel oude brieven, bijna allemaal uit de oorlogstijd. Er zaten acht brieven in ter gelegenheid van de geboorte van mijn oudste zus Hanneke (in de brieven ook wel Hannie genoemd) in 1941. Felicitatiebrieven dus van familie en vrienden. In 1942 werd Maurits (Max) geboren. Het doosje bevatte enkele brieven ter felicitatie. In 1943 overleed Max aan een longontsteking, in het doosje zaten twaalf condoleancebrieven en -kaarten. In 1944 werd ik geboren. Dat leverde 14 brieven en kaarten op, althans die zaten in de vruchtdessertdoos. De felicitaties betroffen Jacobus, zo werd ik gedoopt. Wanneer ik Koos werd, weet ik niet, in ieder geval niet in die brieven. ‘DE HEERE VERBLIJDDE ONS HEDEN MET DE VOORSPOEDIGE GEBOORTE VAN EEN WELGESCHAPEN ZOON EN BROERTJE – JACOBUS’, zo luidde de tekst op het geboortekaartje. Ik was genoemd naar mijn opa, Jacobus Stomp uit Zeist, die zes weken voor mijn geboorte vermoord was in Dachau, Duitsland. Ik weet eigenlijk niet of mijn opa ook Koos genoemd werd.

briefkaart 1944

En, wat staat er zoal in de brieven van die Jacobus-verwelkomers? Vier van de 14 brieven of briefkaarten (frankering 5 cent) zijn van vrienden of bekenden, de rest van familie. Ze komen uit het hele land: Zeist, Driebergen, Baarn, Den Haag, Rotterdam, Oosterbeek (van Egbert Brink op postpapier van de Electr. Bakkerij “De Korenaar”), Vinkeveen, Vlaardingen, Buiksloot, Halfweg en Enkhuizen. De meeste brieven, dat zal niet verbazen, zijn in de maand augustus 1944 verstuurd, waarvan enkele vrij snel na de achtste. De briefkaart van ene ‘je Hetty’ uit Den Haag is gedateerd 14 mei 1944, maar dat zal wel een vergissing zijn (of een grapje want de tekst is nogal jolig). De brief van de mij niet bekende tante Myntje is niet gedateerd, maar aan de felicitatie voegt tante Myntje ook een gelukkig nieuwjaar toe, dus die moet uit 1945 zijn. De brieven beginnen uiteraard met hartelijke gelukwenschen of we feliciteren u van harte, met daarbij soms een toevoeging (mede namens Tjip). Wat een vreugde en dankbaarheid zal er bij jullie zijn nu er een zoon geboren is. Het valt in bijna alle brieven op hoe gemakkelijk de schrijvers God erbij halen (U door Gods goedheid geschonken). We kennen dat nu alleen nog van de Mohammedanen die om het vijfde woord Allah noemen. Gerrit (van Gerrit en Be, een echtpaar dat een tijdje bij ons had gewoond als onderduiker) schrijft: Wij hopen dat het een flinke boy is en dat hij op mag groeien in een betere tijd dan waarin hij is geboren. Ina Post zegt: ‘k Hoop dat God jullie de kracht schenkt om dit kind op te voeden tot een kind dat naar God leert vragen en naar Zijn stem te luisteren! Ina Post zet bij de datering Vlaardingen, maar onder de brief: Eudokia, R’dam. Het Eudokiaziekenhuis was een christelijk ziekenhuis waarvandaan ook de zuster van mijn vader, tante Kirry schrijft. Zij werken daar dus samen of, wat me waarschijnlijker lijkt, ze zijn er in opleiding tot A-verpleegkundige. Een raadselachtige (waarover later meer) brief van tante Wijn is van 23 augustus, ze noemt geen plaats, ik denk Halfweg, en haar aanhef is Lieve Zus!

Na of tegelijk met de felicitaties refereren de schrijvers aan de dood van Max het jaar daarvoor. Je Hetty: Wij hopen dat hij jullie het verlies van de kleine Max wat zal doen vergoeden en het leed wat zal verzachten. Heerlijk dat het nu toch weer een jongen is geworden en dat alles goed is gegaan. Schoonzus Mijntje uit Buiksloot: Wat zullen julie dankbaar wezen, dat je weer een zoon terug heeft, wat is God toch goed. Egbert Brink varieert op een bijbeltekst: Zoo heeft ge beide dus wederom een zoontje ontvangen, en geldt het woord voor U De Heere heeft eerst genomen, daarna gegeven, en nu is immers ’t loven aan U. Nel Post verwijst naar de dood van mijn opa: Wat een vreugde en dankbaarheid zal er bij jullie zijn nu er een zoon geboren is. ’t Was steeds jullie wens maar ’t is nu dubbele blijdschap nu hij de naam van Vader Stomp mag dragen. Dat was dus alles bij elkaar een hele last voor een (welgeschapen!) baby van 9 pond, die in twee brieven overigens ‘een boy’ wordt genoemd.

briefhoofd 1944

In mijn jeugd waren alle augustussen uitzonderlijk mooi en warm. Hoe was dat in 1944? Nel Post vraagt: Trien, heb je het warm gehad? Vinkeveen meldt: Wat een zomer de laatste tijd hè. Vannacht heeft het hier zo geonweerd. Mijn iets oudere neefje uit Enkhuizen genoot er ook van getuige de mededeling van tante Annie: Kleine Paultje wordt zo’n schat. Hij is een klein nikkertje gelijk, zoo bruin. Anders Nel Post wel, Kirry schrijft: Nel Post is zo bruin terug gekomen, dat is heel bar. Ze had het best naar haar zin gehad. En in Halfweg was het ook warm. Vanmorgen hebben we de zolder een beurt gegeven maar ’t was zoo warm, dat we klaar waren om elf uur zijn Annie en ik eerst even wezen zwemmen, en ’s middags toen Leen en Beppie uit school kwamen weer en Yda ging ook mee ze vindt het verrukkelijk, ’t is ook zoo warm. En ’s avonds gingen ze weer, wat voor mijn nicht Annie (later toen ze bij ons kwam wonen grote Annie, mijn zusje heette sindsdien kleine Annie) de derde keer was die dag. Ze zwommen in het kanaal aan de overkant, waar zelfs een duikplank was gemaakt. Dat ging allemaal niet ongestraft want: Heeft het in Ede ook zoo geonweerd Maandag nacht? ’t was hier vreeselijk en ’t heeft zoo bar geregend, Max vloog z’n bed uit, daar lag een plas in, we konden het niet bij dweilen.

Verder vertellen de schrijvers wat over hun bezigheden en ditjes en datjes. Die bezigheden zijn wel interessant. Veel brieven vragen: Annie is zeker bij jullie, hè? Dat slaat op de ongetrouwde zus van mijn vader, weer een andere Annie, zij stond garant voor de kraamzorg. Tante Janny (zus van mijn moeder; mijn moeder had tien broers en zussen en mijn vader elf, veel ooms en tantes dus, en ontelbaar veel nichten en neven, waarvan sommigen ook nicht waren; de ooms en tantes zijn nu allemaal dood behalve tante Janny die 103 is) past zes weken op twee dames in Baarn: De ene is blind en de ander is een hartpatient en niet heelemaal goed bij. Ik heb het erg leuk, erg naar mijn zin. ‘k ben voor de middag altijd klaar met ’t werk, en verder steeds je eigen baas, doen en laten wat ik wil. Het eten is ook betrekkelijk goed, extra melk en boterbonnen, en nu volop de fruittijd. De mevrouw boven heeft een gramofoon met 200 platen, dat als ‘k zin in muziek heb, ga ik ’s avonds naar boven een plaatje vragen, ze heeft ze in soorten, en van Bob Scholten in de 90 stuks. Ze was een warme AVRO luisteraar. Kirry en Nel waren dus aan het verplegen. Oom Gijs en tante Myntje gingen naar mijn opa en oma in Soest. Wij zijn verleden week nog een dagje in Soest geweest, op de tendum, maar terug met de trein, wij hadden ’s morgens zoo’n pech, om zeven uur waren we van huis gegaan en waren om kwart voor twaalf thuis. Ze durfden niet de nacht over te blijven vanwege een voor mij onduidelijke reden: Wij durfden ook geen nacht weg te blijven, daar de landwacht op Landsmeer was, je kan nooit weten, maar nu zijn ze weer vertrokken, dat is alweer een hele rust. Egbert Brink heeft het ook niet gemakkelijk. Mijn vrouw is van huis, daar ze op doktersadvies voorlopig drie weken rust moet nemen, zoodat ik alleen ben. Ik heb echter kamers verhuurd, aan jongelui (goede) die gaan nu voor me naar de winkel enz. en zoo helpt men elkaar maar, door de moeites heen. Bij tante Wijn in Halfweg is het grote gezin ook druk met van alles en nog wat. Gisteravond is er een schuit met turf gearriveerd dat is weer een drukte, koffie en om twaalf uur eten. Max is deze week niet naar de tuin gegaan, hij werkt weer wat in onze tuin en in de turf. Vooral de dames zijn nogal druk met het huishouden en schoonmaken, de hele brief door. Vrijdag heb Annie erg haar best gedaan, ik wou dat je haar eens had zien werken, eerst de keuken gedaan en toen ging ze naar de kamers, nu ze hebben een goeie beurt gehad hoor, alles er uit en ze heeft niets vergeten (ik heb gezuigd) en na de middag heeft ze de woonkamer gedaan. Zaterdag hebben we ’s morgens eerst de stal gedaan toen ben ik met het eten begonnen en zij deed de keuken. We hebben Vrijdag en zaterdag weer buiten gegeten. Ze mopperden wel wat, maar ik zeg: dan eten jelui maar niet, maar de kamer is net gedaan en ik blijf voor jelui plezier niet aan de gang en de keuken was vanzelf veel te warm. Nu en toen heb ik niets meer gehoord. We zitten weer veel buiten met het mooie weer. ’s Avonds zetten we er een paar rokende turven bij, dan hebben we geen last van de muggen. ’s Maandags heb ik nog een wasje gedaan. de jongens hadden alle zoo gezweten dat ik heb het goed meteen maar in ’t water gezet. ‘k heb net gewassen als Juffr. van Es buiten in een teil met een plank en een boender meteen op de bleek en wat aan de lijn en ’s avonds was alles weer droog. En even verder: De pruimen zijn Zaterdag gekomen en de weckglazen Dinsdag toen waren de meeste pruimen op maar ik heb nog vijf glazen vol. ’t Is jammer dat ik niet meer glazen heb. We hebben zo geweldig veel boonen, de pot is vol en we hebben haast 100 pond verkocht.

En dat vond allemaal plaats midden in een oorlog en een bezetting door de Duitsers. In de brieven komt dat op diverse manieren naar voren. b stomplaanTwee broers van mijn vader (Joop en Cary) zaten ook in het verzet, ze zijn door de Duitsers opgepakt – Cary in oktober 1944 – en ze hebben de oorlog niet overleefd. Uiteraard niets hierover in de brieven. Wel verwijzingen naar de dood van mijn opa: Het is voor Moe een hele slag dat Pa is weggenomen (tante Co uit Zeist). Vaak komt de oorlog ter sprake als ongemak, men heeft er last van. Vinkeveen schrijft: Er komt nu niet veel meer van om bij elkaar te komen, tenminste niet met de trein, dat is tegenwoordig maar eng hè. Dat schrijft tante Myntje ook: Ik had wel graag naar jullie toegekomen, maar nu durf ik het echt niet meer te doen, hoor, met die treinbeschieting. Bep heeft het ook de laatste keer dat ze thuis geweest is meegemaakt, de trein is wel niet beschoten, maar ze zijn er toch allemaal uit geweest, en een kwartier verder in een droge sloot gaan liggen, alle menschen hadden tegelijk aan de noodrem getrokken toen ze de tommies zagen. Ook in Halfweg gaf dat ongemak. Zondag hadden we geen dominé, die uit waren gingen gauw naar huis en die thuis waren wilden niet op reis (met de invatie), zoo doende konden we er geen een krijgen. Maar tante Janny miste de lol net: Wat heeft Moeder (vanuit Soest) het bombardement v. Soesterberg goed gezien, nu ‘k was echt kwaad er om dat ik nu weer niet kon zien, ‘k had het best leuk gevonden. In Enkhuizen vinden ze het minder leuk, tante Annie: Vooral die vliegtuigen vind ik vreeslijk, tenminste als er zoo veel overgaan. Verleden Zaterdag schoten ze hier ook weer. En dan kruipen we maar in de kelder als ’t alarm gaat.

Het meest uitgebreid vertelt Gerrit over wat er gebeurt. Waarvandaan hij schrijft weet ik niet, hij dateert zijn brief op Woensdag 16 Aug 1944, met de aanhef Geachte Heer en Mevr. Stomp. Vanmorgen hebben wij bezoek gehad van de Tommijs en ruim geteld zijn er in een paar uur tijds ruim duizend bromvliegen overheen geronkt, behalve degene die niet onder ons bereik lagen en wij dus niet konden tellen. Gisteren middag moeten er hier dicht in de buurt nog vier neergeschoten zijn van de zeven kruisdragers. De andere drie hebben maar vlug rechtsomkeert gemaakt. We krijgen hier bijna elke dag bezoek van een tiental heren, dan met dan zonder uniform, die hier komen visschen naar jongens en mannen. En elke keer pikken ze er wat, dan eens twee dan weer een drie of vijf, maar als ze dan denken dat ze er wat hebben worden ze vaak ook nog weer losgelaten. Of ze ontsnappen nog weer op tijds uit hun handen, dat is verleden week hier nog een paar maal gebeurd. Twee hadden ze te pakken en die wisten er nog weer tussen uit te knijpen, en renden het plantsoen in, een ander hielden ze aan, met paard en wagen maar tevens zien ze een ander lopen daar op af. Nummer een neemt de benen en laat paard en wagen staan. Geen nood denkt het paard, neemt het vrachtje achter zich aan en gaat op stap naar de stal waar het geval zonder ongelukken aankwam. Dan hebben ze verleden week het werk er bij neer gelegd in de polder, omdat ze daar ook al razzias gingen houden. er zijn er dan ook een ruim tweehonderd gepakt. Maar van de week zijn de meesten weer begonnen. Aan het eind van zijn brief wordt Gerrit emotioneel: Toch volhouden tot het laatste toe en dan …. De Vrede!!! Houd moed, wij varen naar de veilige haven, hij komt reeds in het zicht en zoo God het wil zullen wij er spoedig binnenvaren behouden maar niet geheel zonder averij. Maar toch wij komen er, hou vast, de laatste moeilijkheden moeten ! overwonnen worden. Wij nemen afscheid van U allen en drukken U stevig de hand.

Tot slot nog iets opvallends. Ze zeggen wel dat onder de fascisten (faksisten, zei een oude communist) de treinen op tijd rijden. Maar wat dacht je van de post. Ik ben in de nacht van 7 op 8 augustus om half 4 geboren. Mijn vader zat ondergedoken en moest geroepen worden om de dokter te halen. Jacobus wordt geboren, daarna is het druk, mensen waarschuwen (de telefoon was afgesloten), kaartje drukken, op de post doen. Maar dat lukt aardig, want ‘je Hetty’ schrijft: Henk, ondanks dat je ons huisnummer zoo keurig op een lucifersdoosje hebt geschreven, was je toch wel wat in de war met ons adres. Het is: de Carpentierstraat 174, terwijl jij hebt geschreven: Parmentierstraat 147. Ik heb alle eerbied voor de post, die het precies om half 8 ’s morgens 9 Augustus, bij ons in de bus gooide.

achterkant.JPG

PS Nog wat detectivewerk.
De brief van tante Wijn van 23 augustus had als aanhef: Lieve Zus! Maar in die brief staan wat eigenaardigheden. Het briefblaadje is aan beide kanten beschreven en er is een half afgeknipt blaadje bij, ook aan beide zijden beschreven. De ondertekening was: Moe. Dat vond ik vreemd. Was er iets verwisseld? Op dat afgeknipte stuk staat ook: Bedankt tante voor de bonnen en je vermaakt je zeker nog wel een poosje ik ben blij dat je smiddags een poos gaat liggen dat had je thuis ook al lang moeten doen. Ik hoop dat je goed opknapt we redden het hier wel een poosje. Toen bedacht ik me ineens dat tante Janny schreef: En zus zit ook nu in Ede. Nu die heeft haar slinger daar zeker wel, lang slapen zeker en uitgaan en lekker eten. Nu jullie vermaken je maar hoor. Iets later zegt ze dat ze iemand anders vertelde dat Adri in Ede zat. En toen wist ik het opeens. Vroeger hadden ze de rare gewoonte om een broer (de oudste?) Broer te noemen, en een zus Zus. Mijn nicht Adri werd ook wel Zus genoemd. Dus het was geen brief van tante Wijn aan haar zuster maar aan haar dochter, die bij haar zuster in Ede was. En die brief heeft mijn moeder in haar vruchtdessertdoos gestopt. Tante Wijn, die een stuk ouder was en waarschijnlijk een tweede moeder voor haar, was haar lievelingszuster!

Advertenties

One thought on “EEN WARM WELKOM

  1. Wat een leuk stuk!!! wat een werk al die brieven, je snapt er toch niets meer van? Leuk om te lezen en te bewaren!!!!

    Verstuurd vanaf mijn iPad

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s