STUDEREN IN AMSTERDAM (2)

IMG_20150828_0001 - kopieIk ging naar mijn eerste college. Statistiek. Ik was niet de enige. Studenten van alle studierichtingen zaten in een enorme zaal. Iemand kwam voor de groep staan en begon te praten, onderwijl cijfers op het bord zettend. Ik voelde me als een vluchteling in de Middellandse Zee. Ontheemd. Rond mij zaten studenten met elkaar te praten, er werden blikken gewisseld, iedereen leek wel iemand te kennen. Ik kende niemand. Geen introductie gehad, geen medestudenten en docenten leren kennen. Er was een pauze. Ik ging naar de wc en liep wat heen en weer. Aan het eind van het college werd gezegd dat er ook werkcolleges waren, daarvoor moest je je met een andere student inschrijven. In koppels dus. Een half koppel was ik al, dus, nu nog een andere helft. Iedereen schreef zich in. Ik niet. Uiteindelijk bleef ik over met een Surinaamse jongen. We besloten een koppel te vormen. Daarna heb ik hem nooit meer gezien.

Studeren in Amsterdam. Amsterdam ging nog wel. Ik zag aardig wat van de stad. Ook al omdat ik lenzen had aangeschaft, die ik elke dag iets langer in moest houden. Maar ik kon ze niet velen. contactlensMijn ogen begonnen te tranen en ik kon niet stil zitten, laat staan lezen. Ik vluchtte dan de vier trappen af en ging rondlopen, dwalen. Meestal liep ik dan via het Leidseplein naar de binnenstad. De Kerkstraat, ik denk niet dat stripwinkel Lambiek daar toen al zat. Rembrandtplein, Jordaan. Tot ze weer uit mochten. Maar dat studeren… Dat kwam neer op collegelopen. Aantekeningen uitwerken. Boeken lezen. Uittreksels maken. Ik had een boek dat me wel interessant leek. Child Development and Personality van Mussen, Conger & Kagan. 625 bladzijden. Ik ging het lezen en uittrekken, zo had ik het gevoel dat ik wat nuttigs deed. Maar de colleges daarvoor hadden we pas veel later. Voor sociale psychologie moest ik een stuk uit een boek van ene Dewey lezen. Ook in het Engels. Maar heel moeilijk Engels. Ik snapte er geen zak van, kon het niet plaatsen, het ging over gedrag of zo, deed een dag over twee bladzijden. Zaterdags hadden we ook nog een college: de wijsbegeerte der wetsidee. Dat was een soort hobby van de Vrije Universiteit en bedoeld voor alle studenten, want die universiteit was vrij omdat de ‘kleine luyden’ van Abraham Kuyper, de gereformeerden dus, die universiteit op de goddelozen hadden bevochten, soevereiniteit in eigen kring. In alle gereformeerde huizen, dus ook bij ons, stond een groenig collectebusje, verzegeld met een slotje. VU collectebusDe kop van Abraham Kuyper stond erop, hij kon er net op, en in grote letters VRIJE UNIVERSITEIT. Eens in de zoveel tijd kwam iemand dat busje legen. En uit het geld van al die busjes werden de professoren betaald. En die wijsbegeerte der wetsidee was er om ons dat in te peperen. Ik begreep ervan dat God de baas was van de kosmos, die zelfs had gemaakt en er dus ook wetten voor mocht bepalen. Die wetten golden voor alles, een en ander onderverdeeld in 15 wetskringen. Bij de tweede wetskring was ik al afgehaakt. Maar zonder een voldoende voor dit tentamen kon je niet verder studeren. Voor zover ik weet, heb ik één tentamen gedaan. Dat was het tentamen Fysiologie, dat was een schriftelijke tentamen, aan het Valeriusplein. De uitslag heb ik nooit getracht te weten te komen, maar ik vond het niet heel erg moeilijk, dus wie weet. Mijn tentamenbriefje bleef maagdelijk leeg en mijn bed ook.

TentamenkaartDie psychologie, ik vond er geen bal aan. Ik las liever. Mooie boeken, Vestdijk, Reve, Wolkers, Mulisch. En een hele rij Amerikaanse schrijvers, Baldwin, Faulkner, Steinbeck, Hemingway. Ook Heinrich Böll. Nederlands studeren leek me eigenlijk veel leuker. Dan hoefde je alleen maar mooie boeken te lezen. Thuis kondigde ik pontificaal aan dat ik stopte met psychologie en Nederlands ging studeren. Achteraf gezien was dat maar goed ook, want juist deze week las ik in de Volkskrant (26 augustus 2015) dat meer dan de helft van de psychologie-experimenten niet deugt en dat bijgeval zo’n 80 % van de literatuur de vuilnisbak in kan. Mijn moeder was blij met mijn besluit. Mijn vader nam het voor kennisgeving aan en bleef doneren, als het de VU maar was. Maar Nederlands studeren kon helemaal niet met alleen maar een diploma van de Kweekschool, ook al had die dan drie leerkringen. Wel kon je ermee een akte Nederlands voor het lesgeven aan een middelbare school gaan doen, de zgn. akte Nederlands MO-A. Dat was een avondstudie van drie jaar. Ik besloot deze opleiding in twee jaar te gaan doen, zodat het een dagstudie werd. In het eerste jaar zou ik dan de eerstejaarslessen volgen (’s avonds dus, een of twee avonden per week). Daarnaast zou ik proberen de aantekeningen van het tweede jaar te pakken te krijgen. En in het tweede jaar zou ik dan het derdejaarsprogramma volgen en examen doen. Een strak plan, met alleen maar voordelen. Ik vond een medekweekschoolleerling uit Ede, die in Amsterdam lesgaf op een lagere school en die MO-A deed. Hij zat in het tweede jaar. En in 1967 vond ik in Utrecht een meisje dat mij wel wilde helpen met het overschrijven van die aantekeningen. Dat was heel aardig en zij ook, dus verloofde ik me later met haar en trouwde (geheel buiten mijn planning om) nog voor ik mijn examen Nederlands MO-A had gehaald.

brief Boreas 2Het restant van het psychologiejaar 1965 – 1966, toch nog meer dan een half jaar, zat ik aan de Overtoom boeken te lezen. Het streven was een boek per dag. Het jaar daarop, 1966 – 1967, ging ik bij de Vrije Leergangen, gelukkig een onderafdeling van de VU, maar zonder wetsidee, lessen Nederlands volgen. Interessant. Letterkunde, van middeleeuwen tot heden. Taalkunde. Historische taalkunde. Grammatica. Een van de docenten, die ook aan de universiteit werkte, was F.L. Zwaan. Hij was gespecialiseerd in het zeventiende-eeuws (Hooft) en voelde zich verwant met Christiaan Huygens (dichter, veelkunner en gereformeerd). F.L. ZwaanZwaan was jaren leraar geweest, had ook in Indië gezeten en na zijn pensionering woonde hij vijf jaar in Jeruzalem. Bij ons gaf hij zeer bevlogen taalkunde. Zijn stokpaardje was de absolute constructie, een overblijfsel uit het 17e-eeuws. Als hij nog geleefd had, zou hij genoten hebben van het Koningslied (de dag die je wist dat zou komen is eindelijk hier). Hij was ook een soort mentor van ons, maar dan zonder gesprekjes en studiebegeleiding, maar hij wist wie we waren. Eind 1967 kreeg ik van mijn hospita te horen dat mijn kamer nodig was en dat ik er dus uit moest. Frits verhuisde terug naar zijn weer alles in één-kamer aan de Jacob van Lennepstraat en ik besloot weer aan de Graaf Bentincklaan in Ede te gaan zitten. Voor die één of twee avonden les in 1967 – 1968 werd ik spoorstudent. Ik had in het derde (mijn tweede) studiejaar met niemand contact, want een jaar overgeslagen. Ik kwam, vaak was ik te vroeg en ging dan nog even naar de kroeg, volgde de lessen en verdween weer naar Ede. In maart trouwde ik met Anneke en we gingen aan de Amsterdamseweg wonen, toch nog een connectie. Anneke werkte toen in Wageningen als onderwijzeres en ik deed het huishouden en studeerde. Op 11 juli 1968 behaalde ik in Utrecht mijn akte Nederlands MO-A. Euforisch belde ik Zwaan om het heuglijke feit mee te delen. Het duurde even tot hij wist wie ik was. Toen zei hij verrast: ‘O, ik had niet zo’n hoge pet van u op.’ Ook bedankt.

En toen moest ik er toch aan geloven. Ik solliciteerde en ging werken aan een mavo in Harlingen. Daar begon ik aan een vijf (!)-jarige avondstudie Nederlands MO-B, eerst in Leeuwarden, daarna in Groningen. Maar dat is weer een ander verhaal.

Anton Wachter

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s