HIJGEN IN DE NACHT

DE EERSTE ASTMATISCHE PERIODE (1944 – 1957)

astma 3December1942 werd mijn broertje Max geboren. Ik was er toen nog niet. 24 december1943 stierf Max aan een longontsteking, het was oorlog en antibiotica waren er nog niet. Ik kwam in augustus 1944. In het dagboek dat mijn moeder over me bijhield schreef ze: “een vergoeding voor het broertje Max, dat jij nooit gezien hebt.” Het laat zich raden dat mijn ouders een beetje voorzichtig met me waren. Helaas was ik een pieper en hijger. In 1947 ging het volgens mijn moederweer eens fout door een open raam. Mijn astma zat denk ik meer in mijn genen dan in een open raam, maar het is begrijpelijk dat ze verontrust was en extra op mijn gezondheid lette. Wat niet altijd een onverdeeld genoegen was. Mijn amandelen werden kort daarna geknipt of gepeld of geoogst, zoiets, maar dat hielp niet. Ik schreef al eerder over mijn ziekenhuisavonturen. In mijn verhaal Pandemonium Van Een Astmalijder verdeel ik mijn astmageschiedenis in drie Astmatische Perioden met als criteria de behandeling en medicatie uit elke periode. Enkele fragmenten over de eerste en de aanloop naar de tweede periode kun je hieronder lezen. Je moet overigens niet denken dat ik alleen maar een zielig en hijgerig bleekneusje was, het kwam en ging weer, zo was het nou eenmaal.the-trickHet leven is een vicieuze cirkel, wheel of fortune, rad van avontuur. Ergens in die cirkel moet de oorzaak liggen van de ziekte die men astma heet. In het kader van de taalvervuiling heeft men wel de naam CARA (= chronische aspecifieke respiratoire aandoeningen) trachten in te voeren. Daar deze term nauwelijks eufemistische waarde heeft en astma eigenlijk best wel lekker klinkt, als de naam van een goudlokkige schone, een innige geliefde die je in een tedere omhelzing langzaam dooddrukt, is dit woord een zachte dood gestorven. “Aangeboren eigenschappen spelen een belangrijke rol bij de bepaling van de kans om CARA te krijgen. Daarnaast speelt ook de levensgeschiedenis een rol.” (bron: Geneesmiddelen in Nederland). Ik ben geboren in augustus 1944 in Ede, ruim een maand voor de roemruchte slag bij Arnhem. De geallieerde parachutisten kwamen als engelen uit de hemel en landden op de Ginkelse heide (waar ik later nog menige vlieger opliet, maar het wilde niet meer lukken, het contact was voorgoed verbroken). De directe omgeving moest worden geëvacueerd en wie niet wegtrok verborg zich in de kelder of onder een bureau. Zo belandde ik al snel in een vochtige, donkere kelder, net afgedaald uit de vorige wereld, nu al in Beëlzebubs armen, genietend van de klamme lucht, die jaren later de aardappelen ook zo voorspoedig deed kiemen. Het gitzwart zaad was gestort.
Van mijn eerste levensjaren weet ik niets meer. Een eerste vermelding van paranormale gezondheid staat te lezen in het dagboek dat mijn moeder van ons kinderen bijhield. “Pinksteren 1947. Zaterdag bracht ik je naar bed en heb toen vergeten het raam dicht te doen. ’t Was vochtig weer geworden ’s avonds. Om tien uur heb ik het gauw dicht gedaan, maar ’t was te laat. De volgende dag hijgde en piepte je dat het heel erg was.” (De medische vraagbaak voor het gezin: “Bij de astmapatiënt zou een reeds in de jeugd aangelegde te sterke binding aan de moeder aanwezig zijn.”)
Bij ieder bezoek aan het leger artsen (see me, feel me, touch me, heel me) werd gevraagd naar het voorkomen van dauwworm in mijn jeugd. En voorzeker kwam dat voor. “Een zwakke huid is het broertje van astma”, zei mijn huidarts. Waarmee dit zwakzinnige broertje de concipiator werd van alle jeukende plaatsen, eczeemplekken, rode uitslag, netelroos, mispelblom, constante jeuk op mijn kop, allerlei shampoos geprobeerd, handenvol haaruitval, pukkels en puisten op rug en schouders, schimmel in de knieholten en oksels.
Onze huisarts was een coryfee op het gebied van homeopathie dus kreeg ik alras korreltjes en druppeltjes te slikken, D4, A6, D12, D66 en de hele bliksemse rommel. (De Winkler Prins: “Volgens de huidige natuurwetenschappelijke inzichten valt aan dergelijke verdunningen geen enkele werkzaamheid toe te kennen, daar zij in vele liters oplosmiddel hoogstens een of enkele moleculen werkzame stof bevatten; de druppels die de patiënt inneemt, bevatten dus hoogstwaarschijnlijk niets.”) Ook wil het knippen van de amandelen nog wel eens helpen, dus werd ik al voor mijn vierde levensjaar daartoe veroordeeld. “Eind oktober ben je geknipt aan de amandelen. Vrijdagsmorgens bracht ik je weg in ’t karretje. Je had er absoluut geen benul van wat er ging gebeuren en ging vrolijk mee. In ’t ziekenhuis kwam de Hoofdzuster je ophalen, je gaf haar een hand en ging gewillig mee. Tot grote verwondering van de andere Vaders en Moeders wiens kroost niet bij hun weg te krijgen was. Ik was blij toen het de volgende morgen 10 uur was, toen mocht ik je gaan halen met de auto. Je keek zoo blij toen je Mamma weer zag, maar je zag erg wit. Als we je later vroegen of je weer naar ’t ziekenhuis ging, wou je beslist niet meer.”

Toen ik tien jaar werd mocht ik lid worden, of welp heette dat daar, van de padvindersgroep Pieter Maritz. Iedere zaterdagmiddag ragde ik met andere padzoekende aterlingen op verantwoorde wijze door het bos, begeleid en in toom gehouden door een Akela, een Belou en een Hati. Deze para-militaire organisatie hield eigenlijk niet van bleekneuzen, teringlijders en andere on-arische uitwassen. padvinderVandaar dat de korte broek zomer en winter verplichte dracht was. Toen we in het vroege voorjaar eens op kamp gingen, mocht ik van mijn ouders mee, mits in lange broek. De Akela liet na een vergadering met de staf weten dat zulks voor deze ene keer zou worden toegestaan. Zo liep ik trots als een pauw in mijn nieuwe ribfluwelen jongeherenbroek met lange pijpen, terwijl de rest rondliep met melkbeentjes, die soms door de vinnige kou steenrood uitsloegen. Deze maatregel voorkwam overigens niet dat ik al in de eerste nacht, liggend op een bed van vers hooi, zό benauwd werd dat de gezamenlijke staf geen oog dicht deed en men besloot mij de volgende dag ijlings naar huis te brengen, wat voor Hati toch al gauw zo’n 90 km. rijden was.

Ik kwam met de geneesheer Dr. Quarlus van Ufford uit Utrecht in aanraking toen ik net op de ulo zat. Hij had een praktijk in Utrecht, maar resideerde ook partieel in Renkum in en longlijdersgasthuis, Oranjeoord of zoiets. Mijn moeder had van een kennis gehoord over deze wonderdoener die bij wijze van spreken alleen al door handopleggen het piepen en knarsen en fluiten kon doen verkeren in een ademhaling als een lentebries.
Het sanatorium was gelegen te midden van zuurstofrijke bossen. De opeenvolgende bezoeken verliepen wat mij betreft met wisselend succes. Zeer traumatisch was de eindeloze reeks prikken in mijn rug, het hield maar niet op. Later begreep ik pas dat dit sadistische spelletje tot bedoeling had een allergie te ontdekken.longfunctie Aangenamer vond ik de longfuncties. Ik moest dan op een stoel plaatsnemen, waarna ik een rubber mondstuk ingebracht kreeg en een venijnig klemmetje op de neus. Het mondstuk was via een slang verbonden met een nogal ingewikkeld apparaat, een enorme zuiger ging heen en weer en op stukken papier tekenden onzichtbare potloden de meest grillige figuren. Het geinige was nu dat een verpleegster, zuster noemden we dat, spelletjes met mij ging doen en zich daarbij onwaarschijnlijk uitsloofde. Ik moest bijvoorbeeld zo lang mogelijk mijn adem inhouden of juist zo snel mogelijk in- en uitademen. De zuster stond de maat te slaan en moedigde me aan alsof ik aan het wereldkampioenschap ademhalen deelnam.
Na een paar keer samen met mijn moeder naar Renkum te zijn gegaan, werd ik geacht het wel alleen te kunnen. zusterIk volbracht de bezoeken met kloppend hart, want ik was inmiddels verliefd geworden op één van de zusters, een roestbruine schoonheid met een donkere stem. Zij was het die mij altijd opving, me prikken toediende en naar de verschillende afdelingen bracht. Vooral het prikken was heerlijk. Ik moest dan dicht tegen haar aan gaan staan met mijn gezicht verstopt tegen haar altijd smetteloos-witte, frisgesteven boezem. Ze streek me na afloop door mijn haar en mijn dag was weer goed. Nog zes weken en ik zag haar weer.

De allergietest wees uit dat ik overgevoelig was voor huisvuil. Quarlus van Ufford of zijn plaatsvervanger op aarde vertelde ons dat we behalve een huismeid ook een huismijt in huis hadden, een bacterieachtig diertje dat zich het liefst in huisvuil ophield en kennelijk barstte van de allergenen. astma 3Van Ufford kwam op het lumineuze idee uit ons huisvuil een serum te brouwen en dat mij toe te dienen, zodat ik immuun zou worden voor onze eigen huismijt. Ik nam een volle stofzuigerzak mee naar Renkum. Vervolgens gaf de huisarts me elke woensdagmiddag een injectie. Eerst heel weinig, maar allengs meer, iedere keer verdubbeld leek het wel. Na een aantal weken zat er onder het vel van mijn rechteronderarm een enorme blaas, het leek op een gezwel, een etterbuil van ongeveer een halve liter stofnesten, dieren- en mensenharen, afgestoten cellen, korsten, neuspulksels, huidschilfers en spinnewebben. Daar ik de week daarop een gehele liter verwachtte, besloot ik mijn woensdagmiddagbezoeken te staken.

Ook snel daarna moeten mijn bezoeken aan de wonderdokter gestopt zijn. Hij was toch minder almachtig dan wij in ons eerste enthousiasme gedacht hadden. Het enige wat hij mij meegaf was zijn zegen, en een recept voor wonderpillen en de eerste van mijn bataljon spuiten. Hiermee ving mijn tweede Astmatische Periode aan, de periode van het slikken en spuiten.

Schermopname (2)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s