PANDEMONIUM VAN EEN ASTMALIJDER

stadsmaten 2

In 1947, ik was drie jaar, kreeg ik astma. Van wie weet ik niet meer. Ik heb daar periodiek heel veel last van gehad. Tot ik ongeveer 65 was. Ik deed een longfunctie bij de huisarts en kreeg daarna het bericht: ‘Stop maar met je medicijnen, want het is over.’ Wonderlijk. Misschien heb ik het weggegeven. Niet aan Lukas, hoop ik. In de jaren 80 schreef ik op een oude typemachine een verhaal over dat deel van mijn leven, Pandemonium Van Een Astmalijder. Een verhaal van 18 bladzijden, ongeveer 10.000 woorden. Dat laatste weet ik, omdat ik het aan het overtypen ben op mijn pc. In het verhaal beschrijf ik een kunstwerk dat ik ooit plande te maken, maar dat er nooit kwam. Dit in tegenstelling tot het kunstwerk dat ik in Harlingen maakte, waarin twee rubber bollen van mijn astmaspuiten als twee tieten met lampjes als tepels het middelpunt vormde. Stuk gegaan tijdens de verhuizing naar Hengelo. Ook dat beschrijf ik in mijn verhaal. Mijn astmageschiedenis verdeel ik in drie Astmatische Perioden (zoals we ook vier Engelse Oorlogen hadden) met als criteria de behandeling en medicatie uit elke periode. Die perioden verbeeldde ik in mijn imaginaire kunstwerk in vlakken en omlijsting van een oud schilderij dat ik daadwerkelijk op de kop had getikt. Klinkt dat ingewikkeld? Dat was het ook! Vandaar dat ik in mijn blog af en toe een min of meer samenhangend fragment zal publiceren. Vandaag de derde keer dat ik in het ziekenhuis lag (eerste keer 1947, amandelen geknipt, een nacht gebleven; tweede keer 1966, longontsteking, een week; derde keer oktober 1977, drie weken).

astma 1Logeren in De Stadsmaten, Enschede
In de zomer van 1977 ontfermden wij ons over een jong poesje en we noemden hem Tukkie. Onze herdershond Herta kon het uitstekend met Tukkie vinden en wij schepten er veel genoegen in het spel van beide dieren gade te slaan. Tegen de herfst werd ik steeds grotere vriendjes met mijn toenmalige spuit. Wij konden altijd in elkaars aanwezigheid worden betrapt. Mijn zweefcocktail-pillen (de dokter: sterk verouderd) boden maar ten dele uitkomst. “Ik heb een paardemiddel voor je”, zei de dokter, “dat zal wel helpen. De eerste dag slik je er 5, ’s morgens 3 ’s avonds 2, de tweede dag 4, 2 x 2, dan 3 dan 2 en ten slotte de laatste.” De prijs voor het paardemiddel viel reuze mee: ƒ 3,10. En dat voor 15 tabletjes Prednison! En het hielp nog ook! Aanvankelijk. astma 3Al snel kwamen de cocktails (de longarts: verschillende elementen eruit staan op de dopinglijst, ze zwepen je op) en de spuiten weer terug. De dokter had een nieuw idee. In de afgelopen jaren had de tijd niet stil gestaan, had de wetenschap spectaculaire ontdekkingen gedaan en dat had niet nagelaten de medische wereld te beroeren, met name de specialisten die zich bezig hielden met de ademhalingsorganen van de mens. Hijgend ijlde ik naar het ziekenhuis in Enschede, alwaar de op dat tijdstip in functie zijnde longarts luisterde, klopte en werkte met een ingenieuze lichtbak. “Ik wil u eigenlijk wel hier houden”, zei hij. Liefde op het eerste gezicht. (“De astma-lijder zoekt naar geborgenheid, hij hunkert naar liefde, zeggen de psychologen.” Medische vraagbaak voor het gezin)
In een heldere zaal, gekleed in een prachtig grauw-wit nachthemd, mocht ik in de hoek bij het raam een bed bezetten. De vijf overige patiënten keken ademloos toe. Een witte vrouw ontnam me mijn meest geliefde speelgoed, de onafscheidelijke kameraad uit de voorgaande twintig jaar. “Levensgevaarlijk”, zei ze, “u bent nog jong en hebt gelukkig nog een sterk hart, u komt zo aan het infuus, en dan wordt het binnen een kwartier wel minder.” Waarna ik door een dal ging van twee uur. Cold turkey. Witte wolken om me heen sisten en fluisterden. “Een spasme.” “U moet u ontspannen.” “Rustig uitademen.” “Hoe gaat het nu met u?” Ik kon geen woord uitbrengen. Zat rechtop in bed, steunde zwaar op beide vuisten; ademde in, ademde uit, ademde in, ademde uit. Concentreerde al mijn aandacht op een sigarendoosje op de vensterbank. Vrouw Holle kwam weer opdoemen. Met een scheermesje werd het haar van mijn arm verwijderd. Prikken, de ader zoeken. “Een taaie huid, gaat het meneer Stomp?” Ik kon geen woord uitbrengen. astma 3“Op de pols dan maar. Zult u uw arm niet te veel buigen anders breekt de naald, of zullen we er een plankje omdoen?” Ik kon geen woord uitbrengen. Een plankje, waarom een plankje, ik had die vuist godverdomme nodig om op te steunen. Inademen, uitademen; concentreren op het sigarendoosje. Inmiddels liep het infuus. Zeven keer de gebruikelijk dosis hadden ze erin gedaan. Weer een doodsengel kwam me storen in mijn agonie. Ze wrong zich als een slang. “Ontspannen, meneer Stomp, rustig uitademen.” Langzaam werd ik uit het dal van Hinnom geheven, de vloeistof begon zich aan mijn bloed mede te delen. Het bezoek stond voor de deur.

astma 2De volgende morgen werd ik als een nieuw mens wakker en voelde me volkomen in staat het ziekenhuis desnoods op de fiets te verlaten. Maar zo gemakkelijk lieten ze me niet los. Eerst moesten longfuncties uitwijzen dat het verschil tussen mijn spasmische longcapaciteit en mijn niet-spasmische longcapaciteit zo klein mogelijk zou zijn. Een heel arsenaal van medicijnen werd opgediend. De derde Astmatische Periode brak aan. Ik moest dus nog blijven en mocht genieten van mijn omgeving. Tegenover me in de hoek lag een oude man van 84 jaar, ook aan het infuus, Opa. Midden in de nacht werd ik wakker, opa is op stap, het infuus los, nachtnimfen om hem heen: “Opa, je bent je bed uitgegaan!” Opa ontkent heftig, het bloedspoor is meters lang, de verschrikkelijke man uit Säffle. Daarnaast meneer Klein, pas geopereerd, longkanker, winkelhaak in de borst en vol slijm dat opgehoest moet worden. Een medepatiënt: “Man, je lijkt wel een oude motor die niet op gang kan komen, je komt niet uit de compressie.” Een fysiotherapeut komt kloppen. Diep zuchten, nog eens, een begin van hoesten, de motor komt op gang, de motor pakt, een enorme fluim komt boven. In de sputumpot! Daar weer naast meneer Waanders, 74 jaar, kwam keurig in het pak binnen, hoed op, kleedde zich uit, ging op bed liggen en begon een lang gedicht te reciteren over meisjes in China. ’s Nachts scharrelde hij in zijn blote kont door de kamer. Als hij naar mij keek, kneep hij zijn ogen half dicht en kwam er een lepe uitdrukking op zijn gezicht, waarna hij mompelde: “Rote Armee Fraktion.” De dokter: “Zo meneer Waanders, hoe gaat het met u?” “Ik verlang het niet slechter, dokter.” “Meneer Waanders, wij gaan u morgen helpen, u gaat met de zuster mee, en als u wakker wordt, hebt u een klein sneetje in de borst en krijgt u een infuus, net als de overbuurman.” (Herman van Veen: ik weet wat ze onder helpen verstaan, ze hebben het met de kat gedaan.) ’s Nachts reciteerde Waanders een Duits gedicht waarin de regel: ‘Am liebsten möchte ich sterben’. astma 3 Naast mij lag meneer Siebelink, Habakuk de Balker, de man van de grote stukken slijm, de kanjerkoning. Had al dagen geen ontlasting gehad, zat vol en lag constant te zuchten en te steunen: “O god, o god, snotverdomme, oh-oh-oh.” (Gaat op zijn zij liggen, laat een paar enorme scheten, braakt, spuugt, kotst.) Weer word ik midden in de nacht wakker, het gordijn naast me is dicht, fluisterstemmen, een samenzwering?, snijden ze hem eindelijk open? nee, hij heeft een maagbloeding gehad, van de medicijnen.

Het eten was ook altijd een feest. Het ontbijt kwam al om zeven uur. Om twaalf uur kwam men met de warme hap, bv. hutspot met hachee, flap, hier een rochel, fluts, daar een fluim, appelmoes, een enorme scheet, vla toe, god o god, flats weer een kledder. ’s Avonds boterhammen met echte buitenlandse honing. Een blanke fee spoedde zich naar mijn overbuurman. “Meneer Waanders, ik heb een zetpil voor u.” “Dan zet u hem er maar in.” Ik liet de honing op mijn boterham stromen. “U hebt aambeien, meneer Waanders.” “Ja, aaaah.” Ik smeerde de honing uit.

Aan het eind van de gang lagen de hartpatiënten. Aan de monitor. Of draadloos verbonden via een radiootje dat ze overal mee naar toe namen. Communicatie Netwerk. Ze liepen met de antennetjes als de pinguïns van professor Lupardi. Toch viel het me op dat ze onder elkaar aanzienlijk meer schik hadden dan wij op onze kamer. De longarts op bezoek: “En meneer Stomp, hoe is het nu, nog van die kanariepietjes en andere vogeltjes aan het piepen in de borst?” Het viel reuze mee. Na drie weken mocht ik goddank het inferno verlaten.

stadsmaten

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s