TRAMMELANT IN DE TORENSTRAAT (2)

DE TORENSTRAAT, DE EVEN KANT

torenstrTerug naar de Torenstraat. Links in de bocht, schuin tegenover De Nooij, was de slagerij van Toonder. Toonder was een forse, joviale man. Hij slachtte nog zelf, wat toen een eigenslachter werd genoemd. De koe werd aan een touw naar een gebouwtje achter de slagerij gebracht, wat die koe niet echt op prijs scheen te stellen. Toonder hield dan een soort pistool tegen het voorhoofd van de koe, schoot en dan kwam er een pin uit het pistool die de kop van de koe in werd gedreven. Daar had de koe meestal niet van terug en hij stortte ter aarde. De pijp uit! Er vloeide merkwaardig weinig bloed. Als Toonder doorhad dat we stonden te kijken, werden we weggejaagd. Later kwam slager Klok er te wonen, die haalde zijn vlees gewoon bij Stroomberg, de slachterij. Naast de slager, richting ons huis, was een tuintje dat afgesloten werd door een hekje. En achter dat hekje stond vaak een man. Dat was Oetje. Ik weet niet of dat zijn echte naam was, of dat hij die gekregen had, omdat hij altijd stond te steunen en roepen: oeh oeh. Hij was een jaar of 40, had vet glad haar, keurig achterover gekamd en een brilletje. Hij hoorde bij de familie Schuurman die in de Brouwershoeve woonde, een enorm gebouw op de hoek van de Torenstraat/Brouwerstraat. Behalve Oetje bestond de familie uit twee vrouwen, de ene noemden we apesmoeletje, en een oude man, die er niet zo goed uitzag, vel over been. Hem noemden we doodshoofd-met-een-velletje. Ongetwijfeld waren het brave mensen, maar wij waren hartstikke bang voor dat huis en zijn bewoners en dat uitten we door pesten, roepen, steentjes gooien en belletje trekken. Eens werd Wim bij het belletje trekken gepakt en mee naar binnen genomen. Wij waren ontzet. Verstomd, verstijfd en doodsbang keken we van een afstandje toe. Even later kwam Wim weer naar buiten, hij had een soort schaal in zijn handen met een witte doek erop. Iemand riep: ‘Daar zit zijn hoofd in’. We stoven weg. Later kwam er een soort meubelwinkel in de Brouwershoeve, De Roskam. Verkocht werd er niet veel, wel zaten er mensen de godganse dag thee te drinken. Nog weer later werd het hele gebouw afgebroken.

IMG_20150106_0001Ook in de Brouwershoeve, maar om de hoek, woonde een vrouw alleen met een rits kinderen, Betty Buma. Wat er precies met haar was wisten we niet, maar we hadden wel eens horen fluisteren dat ze een vrouw was met vervallen of verkeerde zeden of zo. Als er soldaten halfdronken uit café Onder De Toren kwamen, vroegen ze ons wel eens of er nog lekkere wijven in de buurt woonden. Wij verwezen ze dan naar Betty Buma, maar ik had niet de indruk dat die dat leuk vond. Ik had toen nog enigszins de kleur van het gras. We waren eens op weg naar catechisatie in de Noorderkerk, een vervelend uurtje met de dominee of een ouderling. Je moest daarvoor stukken uit de catechismus uit je hoofd leren, socratisch, vraag en antwoord. Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven? Goede vraag voor een jongen van een jaar of 11. De catechisatie was in de consistorie achter de kerk, je moest het grindpad tussen de kerk en het huis van de koster in, het was links, rechts ging je naar een ander gebouwtje, daar had ik jongelingenvereniging (JV). Op dat grindpad werd me toen door mijn vriendjes een hele andere vraag gesteld. Weet jij waar de kinderen vandaan komen? Ik had geen idee en gaf dus geen sjoege. Vervolgens kreeg ik een wel heel onwaarschijnlijk verhaal te horen. De man stopt op de een of andere manier zijn piemel in de vrouw en dan wordt er een kindje gemaakt. Ja, hoor! Ik geloofde er geen zak van en riep kwaad: ‘Daar is niks van waar, want ik heb een tante en die tante is niet getrouwd en ze heeft ook geen man, maar ze heeft wel een kind’.

pianoTegenover de Brouwershoeve, ander hoek Brouwersstraat/ Torenstraat, woonde de familie De Vries. Ik mocht De Vries niet zo. Henk en ik waren een keer op het dak van het gebouw van Sociale Zaken geklommen om naar Tjitske te kijken. Toen heeft De Vries de politie gebeld. Die kwamen in een politieauto aanscheuren. Ze namen Henk en mij mee naar het bureau, waar we de hele middag werden gehouden en nota bene strafregels moesten schrijven, alsof je op school zat. Mevrouw De Vries was wel aardig, het was een nogal stille, strenge vrouw met een knotje en een bril. Ze waren doopsgezind of zoiets. Mijn moeder kon het echter beter met meneer De Vries vinden. Ze stond soms tijden lang met hem te praten. Dat deed mijn moeder wel vaker. Ik had pianoles van een meneer Jansen uit Wolfheze. Die kwam dus helemaal uit Wolfheze om mij pianoles te geven. Misschien had hij nog meer leerlingen, hij dirigeerde ook een koor in Ede. Die pianoles ging als volgt. Mijn moeder liet meneer Jansen binnen en maakte een praatje. Ik ging achter de piano zitten met het pianoboek waaruit ik had moeten oefenen voor mijn neus. Ik moest elke dag een half uur oefenen, maar daar kwam vaak niet veel van. Meneer Jansen ging naast mij zitten en mijn moeder in haar stoel en ze praatten gewoon verder. Mij hoorde je niet klagen, ik maakte me zo klein mogelijk. Maar dan moest ik mijn progressie in de kunst van het pianospelen toch vertonen. Ik deed mijn best. Meneer Jansen en mijn moeder luisterden. Daarna vertelde meneer Jansen wat er allemaal niet deugde en hij speelde voor hoe het bedoeld was. Daarna ging hij weer met mijn moeder praten. Tegen het einde van de les wendde hij zich weer tot mij, gaf huiswerk op, speelde iets heel anders, iets moois ‘to show off’ en zei: ‘Goed oefenen’. Pratend met mijn moeder ging hij dan de kamer uit. Later ging ik met Henk gitaar spelen, bij Mixtura. Maar ook daar heb ik niet mijn beroep van gemaakt.

torenstraatbuurtNaast de tuin van Sociale Zaken en tegenover onze toonzalen was het timmerbedrijf van Harwijne. Hij was ook aannemer, maar wat hij aannam weet ik niet. Harwijne was een drukke, vrolijke kerel. Hij woonde daar met mevrouw Harwijne, ook al zo’n strenge vrouw, maar in dit geval Nederlands Hervormd, en met Magda, Hermien en Tonnie. Hermien (Mienemuis) was van mijn leeftijd, ik speelde wel met haar (doktertje). De voorkant van hun huis zag er klassiek uit, twee ramen beneden met daartussenin de voordeur. Hermien sliep in de linker kamer. Voor die kamer en voor het huis was een kaal tuintje van zo’n twee meter, afgescheiden van de straat door een hek. Dat was het beroemde hek van Harwijne, want daar is het verschijnsel hangjongeren uitgevonden. Het hekje nodigde daartoe uit, er liep namelijk een ronde buis tussen gemetselde stenen bouwseltjes. Op die buis kon je goed zitten en hangen. Uit de Torenstraat, maar ook ver daar vandaan kwamen jongelui op het hekje van Harwijne af. Jaap Pluim van café Marktzicht, Piet de Nooij, Janneke, Co. Mijn zus Hanneke. Pieter Ot, Wim Waanders, Trudy Oost, Jan Eelkema. Casper die mij altijd raadselachtig aansprak met: ‘Zo Voskuil, hoofdredacteur van het Vrije Volk’. En de gangmaker, Hans Idema, zoon van de kapper, die iedereen naar zijn pijpen liet dansen. De meesten waren een paar jaar ouder dan Co, Henk en ik, en dus probeerden we er echt bij te horen door stoer te doen. Er was ook een eigen groet, je maakte een rondje met je rechter vuist hoog in de lucht en zei tegelijkertijd: Hai Hai. Hier werden plannen gesmeed, feesten voorbereid, en geroddeld, gerookt en geflirt. Als het donker werd en de lantaren ging aan dan schopte je die uit. Als er iemand langskwam had je commentaar. Stoeien en grappen maken. Zondags was de gereformeerde kerk om 11 uur uit en daarna hingen we er weer. Er waren geluksvogels die niet naar de kerk hoefden, die wachten dan al op ons. In de hervormde kerk zongen ze wat langzamer dus die kwamen pas tegen twaalven de kerk uit. Vreemd genoeg liepen die hervormden dan midden op straat de kerk uit alsof ze wilden zeggen dat op zondag alles van hen was. Een flink deel liep de Torenstraat in. Zwarte kleren, hoedjes en hoeden. Niet zo erg als bij de zwartekousenkerk, maar toch. Wij staarden ze na. Een half uur later kwam er nog een pluk, dat waren alleen mannen. Waarschijnlijk van de kerkeraad, zwart, hoeden, stijf en streng, dikke sigaar in de mond. Als ze langs kwamen riep Hans: ‘In de houding, het Sanhedrin!’ Wij sprongen dan in de houding en stonden stram naar de mannen te kijken tot ze weg waren. Als Lord met zijn stok en zijn manke poot langskwam, had Hans iets anders. ‘Bukken, je schoen vastmaken’, riep hij dan naar Co en mij. We moesten dan midden op straat gaan staan met de kont omhoog om zogenaamd onze veters te strikken. Lord kwam dan langs, bleef staan, gaf een klapje op onze kont, maakte een praatje en liep weer verder. De lol hiervan? Keine Ahnung.

TRAMMELANT IN DE TORENSTRAAT

c torenstraat 2Ik zat in de tweede klas van de ulo, bijna in de derde, het was dinsdagmiddag, iedere dinsdag en donderdag hadden we ’s middags vrij. Het was aardig weer, juli, de zon scheen af en toe, het was een graad of 16 en bijna grote vakantie. Henk en ik hadden ons huiswerk af en we hadden zin in kloten. We gingen naar buiten naar de hoek van de Grotestraat, bij het café van Van der Horst. Henk begon tegen de paal van een verkeersbord te schoppen. Ik sprong van mijn ene been op het andere. Voor het café stond een soldaat met een glas bier. Hij had een snor en was niet groot. Hij keek naar ons en vroeg: waarom doen jullie dat, waar wonen jullie, is hier iets te doen in Ede? We raakten in gesprek en zeiden dat er in Ede nooit geen zak te doen was, behalve in de Heideweek, maar dat duurde nog een paar weken. ‘Willen jullie een biertje’, vroeg hij. Ik bedankte, stel je voor dat mijn vader me daar naar binnen zag gaan. ‘Zijn hier ook leuke meisjes in de buurt’, vroeg hij. We lichtten hem in over Betty Buma. Hij humde wat, dronk zijn glas leeg, deed de deur van het café open en ging weer naar binnen. We zagen nog net dat er een paar soldaten aan het biljarten waren. Ik zei tegen Henk: ‘Kom, we gaan wat bij ons drinken’. Na de thee liepen we de Torenstraat in. Mijn vader ging met klanten de toonzalen in, hij keek naar ons, maar zei niks. We liepen naar het pakhuis, keken bij de fietsenmaker en gingen bij De Nooij kijken of Co thuis was. Die was er niet. Ik ging er even naar de wc, als je het huis binnenkwam was je in een grote koele keuken, de wc was in een gangetje links achterin. Ze woonden boven, net als wij.

‘Zullen we de slager gaan pesten’, vroeg ik aan Henk. ‘Mij best, met de varkenspoten’, zei Henk. Dit was een belegen bak die ik had gehoord van een vriendinnetje van mijn zusje, Janny Holtrust. Haar vader was ook slager. Van Janny moesten we Holt-rust zeggen, want dat betekent rust in het huis, in het bos. We gingen de slagerij binnen. Toonder was met een soort hakmes stukken vlees aan het plat slaan. Hij ging rustig door en keek ons vragend aan. Henk vroeg: ‘Slager, heeft u ook varkenspoten?’ Ik riep meteen zonder op het antwoord te wachten: ‘Dat zal dan wel beroerd lopen’. We stormden naar buiten en lieten de deur open staan. De slager kwam ons achterna, meer omdat we de deur open hadden laten staan dan om ons te achtervolgen. We holden de richting van de kerk op en botsten bijna tegen een soldaat op. Het was de kleine soldaat. Hij deed zijn arm omhoog en wilde iets zeggen, maar wij renden door naar de Brouwerstraat. Ik keek achterom en zag dat de kleine soldaat Toonder aansprak. Toonder wees met een breed gebaar in onze richting en liep met grote stappen terug naar zijn winkel. Voor Sociale Zaken stond De Vries chagrijnig naar ons te kijken. Wij liepen de Brouwerstraat in en begonnen tegelijk pesterig te zingen: Hé, kom van dat dak af, ‘k waarschuw niet meer. Daar heeft later nog eens iemand een liedje van gemaakt. Iets verder kwam Tjitske de Vries ons tegemoet, ze liep langs ons en groette schuw. Wij groetten terug en keken stiekem naar haar borsten. We gingen naar de markthal, daar was altijd wel wat te beleven. markthalOp het plein links van de markthal was de achterkant van garage Robben, daar stonden altijd wel wat auto’s en liepen monteurs met grote steeksleutels rond. In de markthal waren ze nog bezig met de marktkramen. Iedere maandagmorgen was er markt op de markt. In de vroege ochtend werden dan de kramen neergezet, op zondag mocht natuurlijk niet. De kramen stonden in rijen van de Grotestraat naar café Marktzicht van Pluim. Er stonden ook rijen bomen, wat in de zomer de ergste hitte weghield. Als er geen markt was, stonden er wel wat auto’s, maar verder was het een mooi beschaduwd plein. Als we op maandagmorgen vrij waren gingen we er vaak heen. Er werd van alles verkocht, groente en fruit, bloemen, rollen stof, zoetigheid, speelgoed. In de Heideweek werden er schapen geschoren. Het was er altijd druk, de mensen kwamen overal vandaan. Wij liepen dan tussen de mensen door, kijken bij speel- en snoepgoed zonder iets te kopen, kijken naar meisjes, roepen, lachen. Maar nu was het dinsdag en de kramen stonden weer in de markthal. Die was groot. Er waren ook eierboeren die er hun eieren stalden. Transportbedrijf Donkelaar maakte ook gebruik van de hal, er stonden auto’s en er werden goederen uit- en ingeladen. We keken of we konden helpen, maar liepen in de weg en kregen een snauw, dus gingen we weer naar buiten, de markt op.marktmuziektent

Het marktplein was rustig. We staken dwars over naar de muziektent. Daar waren soms uitvoeringen van De Harmonie, dat was leuk, vooral als het ’s zomers was en ’s avonds. We gingen het trapje op en middenin staan. Luchtgitaar spelen en Heybaberiba zingen. In de verte hoorden we een sirene, aanstellerig zongen we met het geluid mee en moesten geweldig lachen. We keken op het plein neer, niemand die maar op ons lette. Henk zei: ‘Laten we gaan kijken of die meiden er zijn’. We liepen naar de ulo die er schuin achter stond. Wij zaten op de christelijke ulo aan de Bitterstraat. Maar openbare meiden waren volgens ons veel mooier. Vooral drie zusjes, blonde meisjes van wie er één in de eerste klas zat en de andere twee in de tweede. Ze droegen alle drie vaak dezelfde groene jas, wat hen nog aantrekkelijker leek te maken. Het hielp ook dat ze uit Otterlo kwamen en dat hun vader, zo hadden we gehoord, veel geld had. uloMaar bij de ulo was niks te zien, dus staken we de markt weer over, langs kapper Butselaar, waar het niet druk was, weer naar de Grotestraat. Op de hoek was Lunchroom De Pinguin, het zat daar vaak vol jongelui, het trok ons aan, maar ook daar mocht ik niet komen. Ik weet niet waarom niet, misschien ook fout in de oorlog. Dus liepen we de Grotestraat in, een aantal fietsers reed met grote snelheid de kant van de toren op. We gingen verder, versnelden onze pas iets. Langs Hartgers waar ik soms sigaretten voor mijn vader moest halen, heel lang Nortsteet (North State), later Arsenal. Langs kapper Idema, de voorkant van Garage Robben. Hoorden we de brandweer, het rook naar brand. Bij café Onder De Toren gingen de hoek weer om de Torenstraat in. Voor Sociale Zaken en op het pleintje van ons pakhuis zagen we een tafereel dat opmerkelijk was. Het leek wel een tekening van Theo van den Boogaard.

Een meter of twintig voor ons stond een haag van mensen. Ik zag mijn moeder met meneer Jansen, wat deed die daar nou, ik had toch geen pianoles?  Meneer Van Benthem uit de winkel. Mijn vader met klanten, hij keek naar mij, maar zei niks. Tante Henny en tante Mies, tante Henny had weer het hoogste woord.Een paar knechten, Knijf en Bart. De Harwijnes. Hanneke, Piet de Nooij, Pieter Ot, Jaap Pluim met Bruno, zijn hond. Mensen die ik niet kende. Kennelijk was ook Onder De Toren leeggelopen.Aan de overkant Ada en Annie, die zeker net van school kwamen, met een paar vriendinnen, onder wie Janny Hol-trust. Betty Buma zag ik niet, Tjitske ook niet, wel haar moeder, die zich ergens zorgen om leek te maken. Tussen de mensen door zag ik auto’s met zwaailichten. Het blauwe licht flitste aan en uit in de ramen van Sociale Zaken. In zag rook en rook brand. Geschreeuw en, merkwaardig, ook gelach. Henk en ik wurmden ons tussen de mensen door naar voren. Voor ons rechts ter hoogte van de fietsenmaker zat een man met een soort deken om zijn schouder op de grond. Een man in een witte jas deed iets met wit verband bij zijn hoofd. Ik zag ook rood. Voor de man lag een fiets, het voorwiel stond omhoog, het draaide zachtjes. Links opzij hiervan stonden twee auto’s. Een politieauto en een ziekenauto. De politieauto stond met zijn linker voorkant tegen de zijkant van de ziekenauto. Die zijkant lag in zijn geheel in de kreukels. Uit de voorkant van de ziekenauto kwam rook en ik zag kleine vlammen die vanuit de motorkap aan de carrosserie likten. Een agent riep naar de mensen: ‘Achteruit, zo ontploft de boel’. De man in de witte jas sleepte de gewonde naar achteren. Bij de muur van Waanders stond een brandweerauto. Brandweermannen riepen naar elkaar. Eentje van hen liep met een brandblusapparaat naar de ziekenauto. Meer naar links bij Sociale Zaken stond nog een ziekenauto. Twee mannen droegen een brancard waarop ik meneer De Vries meende te zien liggen. De brancard werd in de ziekenauto geschoven, die daarna met loeiende sirene wegreed. Op de stoep stonden twee agenten naast drie soldaten die op de stoep tegen het tuinhek zaten. Ik zag dat twee van hen ieder een hand in een handboei hadden, zodat ze aan elkaar vast zaten. De derde had zijn handen vrij. De kleine soldaat zat iets verder ook op de stoep en ook tegen het hek aan. Een andere man met een witte jas stond over de kleine soldaat gebogen en vroeg hem iets. Hij betastte de arm en schouder van de kleine soldaat, die zijn gezicht vertrok. Uit de Brouwerstraat kwam met veel geraas en bandengepiep een auto van de MP aanscheuren. Nog meer mensen kwamen uit de richting van de Molenstraat aanhollen, slager Toonder liep er ook bij. Lord van Wijhe kwam in zijn eentje aanhinken. Vanaf de markt hoorde ik nog meer sirenes. Een politieagent praatte ergens in. Iemand met een enorm fototoestel maakte aan de lopende band foto’s. Henk en ik keken elkaar aan. Wat was hier gebeurd?

Murphy zei het al, wat mis kan gaan, gaat mis. De Vries had gezien dat de kleine soldaat Tjitske had lastig gevallen, hij vroeg naar Betty of dacht dat Tjitske Betty was. De Vries lag drie dagen in het Juliana-ziekenhuis. Ook was er een rechtszaak, maar daar hoorde ik niets meer over. Van de soldaten hoorden we ook niks meer, defensie loste zijn eigen zaakjes op. Ik heb later nog veel soldaten Onder De Toren binnen zien gaan, maar de kleine soldaat was daar nooit bij. Tjitske wendde consequent haar hoofd af, als we haar tegenkwamen. Het jaar daarop verhuisde de familie De Vries. Nog weer later hoorde ik dat De Vries een dubbelleven had geleid en nogal naar aan zijn eind was gekomen.

c torenstraat

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s