TRAMMELANT IN DE TORENSTRAAT (1)

Iedere woensdag ga ik zwemmen in het Twentebad in Hengelo. Tussen twaalf en één uur is het er lekker rustig en kun je prima het heen en weer krijgen.En als je geluk hebt, staat die teringherrie van Sky Radio zachtjes of soms zelfs uit. Meestal zwemmen er nog enkele mensen, de meesten in hun eentje zoals ik. Maar soms zijn er ook twee of zelfs drie dames aan het zwemmen. En die dames zijn altijd aan het praten. Ik luister daar dan naar, maar omdat ik veel sneller zwem, hoor ik alleen flarden en moet ik de rest zelf aanvullen. Als het heel interessant is, wat zelden zo is, ga ik wat langzamer zwemmen. Maar dat valt al snel op en dan krijg ik de bekende fuck-off-blik. Vanmorgen hoorde ik een vrouw met een in toonhoogte stijgende stem zeggen: ‘Maar wat kan er nou mis gaan?’ Meisje, dacht ik, je moest eens weten. Even later hoorde ik: ‘Maar Harry, die wil alles in eigen hand houden’. Toen wist ik het zeker, dat ging geheid mis. Wat mis kan gaan, gaat mis. Daar hebben ze zelfs ergens een wet voor gemaakt, ik weet niet in welk land. Humor hebben ze ook niet, die vrouwen. Ik zwom eens op mijn rug en kwam bij de kant met mijn achterhoofd vol in de borstpartij van een jongedame. ‘Een zachte landing’, zei ik olijk. ‘Kijk uit waar je zwemt, eikel’, zei ze. Soms is de achtjeszwemmer er ook. Zij zwemt niet recht naar de kant,nee, bij de kant gekomen maakt ze een half rondje. Ze wil kennelijk blijven zwemmen, maar komt zo nogal eens in het vaarwater van de rechtopenneer-zwemmers. Van mij dus. Ik zei eens tegen haar: u kunt ook recht op en neer gaan, mevrouw. Ze wierp me ook die blik toe en zei: ‘Dat bepaal ik zelf wel’. Welkom in het Twentebad. Wat mis kan gaan, gaat mis.

c torenstraatTORENSTRAAT, DE ONEVEN KANT

Het was op een dinsdagmiddag, 8 juli 1958, de zon scheen af en toe, het was ongeveer 16 graden Celsius, dat in de Torenstraat in Ede alles mis ging. Ik woonde op de hoek Torenstraat/Grotestraat tegenover de grote Nederlands Hervormde kerk, waarvan de hoge vierkanten toren stijf en stram over ons waakte. Ik was nog net 13 jaar. De Torenstraat loopt recht naar de toren, de naam zegt het al. De andere kant op blijft het de Torenstraat. Hij liep daar met een flauwe bocht naar de Molenstraat. Ik zeg ‘liep’, want ze hebben in Ede alles vernaaid en niets is meer zoals het was. Wij woonden sinds een paar jaar boven onze winkel. Onze huiskamer was ook op de hoek, erachter waren de keuken en een slaapkamer. Via de keuken kwam op je op een groot balkon in de lengte van de Torenstraat. Op dat balkon kon je lekker in de zon zitten. Je keek tegen het witte huis aan de overkant aan, waar de familie Van der Horst woonde, ook boven, want beneden baatten zij het café Onder de Toren uit. Daar kwamen veel soldaten om bier te drinken of te biljarten, meestal allebei. Ede had toen vijf kazernes, dus er waren heel wat al dan niet dienstplichtige soldaten. Er werd veel verhuisd of in nieuwe huizen getrokken wat goed was voor de woninginrichtingbusiness van mijn vader. Mijn slaapkamer zag ook uit op de Torenstraat en had een dakkapel. Als ik schuin naar rechts keek, zag ik het gebouw en de tuin van Sociale Zaken. Later kwam de GGD erin, maar wij bleven het Sociale Zaken noemen en nog vaker Asociale Zaken. In dat gebouw woonde ook de familie De Vries. De dochter heette Tjitske en mijn vriend Henk en ik waren allebei verliefd op haar. Het is leuk om met zijn tweeën verliefd te zijn, veel leuker dan alleen, want dan zit je er maar mee, je piekert, hebt vaak een rood hoofd en niemand begrijpt je. Met zijn tweeën kun je erover praten, je maakt plannetjes en je durft meer. Toen ik in de vijfde klas van de berenschool zat, kwam er een nieuw meisje in de klas, Brigitte, daar keken we nogal tegen op. Ze kwam uit Den Haag en ze had prachtig haar, blond en gevlochten om haar hoofd in ingewikkelde strengen. Mijn vriendje Maas van Egdom en ik waren op slag verliefd. In de pauze drentelden we om haar heen en liepen quasi tegen haar aan. Maar ze keek niet eens naar ons. Dus moesten we een list verzinnen. Maas zijn vader was bakker aan de Telefoonweg, vlak bij school. We mochten van Maas’ vader iets gaan bakken, hij wist niet waar het voor was. We maakten van deeg een ingewikkeld figuur met deegrolletjes die op het haar van Brigitte moest lijken. Dat zouden we haar in het speelkwartier geven. Hoe het dan verder moest hadden we nog niet bedacht. Het baksel lukte wonderwel; het ging bleek en slap de oven in maar kwam er stevig en met een bruin korstje weer uit, om in te bijten. We pakten het in en namen het mee naar school. Ik was degene die het zou gaan geven. Maar hoe doe je zo iets? Het speelkwartier brak aan, ik liep met het pakje, Maas hitste me op. ‘Geef het dan!’ ‘Ja, zo meteen, ze moet eerst alleen lopen’. Maar Brigitte was populair en liep nooit alleen. Tegen het eind van het speelkwartier rende ik naar haar toe en duwde het pakje in haar handen en zei: ‘Voor jou’. Brigitte keek verbaasd, propte het pakje in haar jaszak en ging met haar vriendinnen naar binnen. En dat was het dan. Ze heeft er nooit iets over gezegd en wij ook niet. En toch was het spannend en leuk. Henk en ik waren dus samen verliefd op Tjitske de Vries, ze zat ook op de ulo, maar in een andere klas. Onze tactiek was heel simpel, we klommen uit het raam van mijn slaapkamer, tegen het dak op en gingen op de dakkapel zitten, met ons huiswerk. Van huiswerk kwam niet veel, want we keken steeds naar de overkant, naar Asociale Zaken, en soms zagen we Tjitske. Buiten, of voor het raam. Wij begonnen dan te zwaaien en te fluiten en dat was heel aangenaam. Maar we moesten wel oppassen dat mijn vader het niet merkte en ook Tjitske moest oppassen, want haar vader was nogal streng en driftig. Soms zagen we dat hij Tjitske wegtrok of tegen haar tekeer ging.

knupAchter de winkel, langs de Torenstraat stond een groot gebouw van twee verdiepingen en een plat dak, de toonzalen. We klommen weleens op dat dak, maar dat mocht niet. Het gebouw had een eigen ingang, een mooie voordeur met glas in lood en een koperen deurknop. Die deurknop was het middelpunt van een opwindend en heel fijn spel dat we zomers urenlang speelden. Het heette knup-in-touw en ging als volgt. We hingen een stevig touw aan de deurknop en maakten er een paar knopen in. Na loting was iemand HEM. Die iemand moest dan de knopen uit het touw halen, terwijl de rest zich ging verstoppelen. De HEM ging zoeken en als hij iemand zag, riep hij hard diens naam en dan was diegene ERBIJ en moest op het hekje van Harwijne gaan zitten. Dat klinkt overzichtelijk en simpel. Maar er was een bijkomende, spannende en gekmakende spelregel. Als de zoeker uit het zicht raakte, mocht iemand die nog niet ERBIJ was nieuwe knopen in het touw leggen. Iedereen was dan weer vrij en de HEM kon weer opnieuw beginnen. De zoeker moest dus ogen en oren aan alle kanten hebben. Urenlang kon je HEM zijn. Ik gaf er dan wel eens de brui aan. markt 2Of het scheelde me geen zak meer en ik ging lekker op de markt zoeken waar ze de marktkramen aan het opruimen waren. Ik kwam een keer terug en zag niemand meer, iedereen was naar huis, het touw hing slap te bungelen met een paar knopen erin en thuis zaten ze al te eten.

Naast het gebouw van de toonzalen was een pakhuis, dat een beetje schuin naar achteren stond, zodat er een klein pleintje voor was. Tussen de toonzalen en het pakhuis liep een steegje omhoog naar een fietsenmakerij. Aan weerszijden van het steegje stonden vaak fietsen. De fietsenmaker maakte fietsen, die aan takels hingen, in een soort werkhok met aan de voorkant ramen en een deur. Als ik een lekke band had, moest ik die van mijn vader zelf plakken. De plakprocedure startte met het op de kop zetten van de fiets, want takels hadden we niet. Dat was al heel lastig. Dan ventiel en kleine rondje losmaken, band met bandenlichters loswippen van de velg, ventiel er weer in (niet het rondje!), oppompen, in een bak water stoppen om het lek te zoeken. Als je het lek had gevonden dan moest je dat plekje droogmaken, markeren, beetje solutie erop, plakkertje erop en dan vijf minuten stevig aandrukken. Dan alles in de omgekeerde volgorde, waarbij het lastigste was de buitenband met de bandenlichters weer op de velg te laten springen. fietsmDe volgende dag moest je dan naar de fietsenmaker, omdat je bij de laatste stap de binnenband weer lek had geprikt. Als ik mijn fiets dan weer ophaalde, ‘schrijf maar op voor Stomp’, had ik een soort weddenschap met mezelf. Bovenaan het steegje stapte ik op, zette af en moest dan al laverend zonder te trappen naar beneden rijden, het pleintje voor het pakhuis op, de Torenstraat in tot aan ons huis. Het was zo’n 100 meter en ik had gewonnen als het lukte, wat vaak het geval was, want het was er meestal heel rustig. Onze hond Fikkie kon er gewoon los rondlopen, we hoefden hem nooit uit te laten, soms was hij uren weg, tot hij een keer helemaal niet meer terugkwam.

Als je na Sociale Zaken linksaf ging, kwam je in de Brouwerstraat. Die voerde naar de markthallen, de markt, de spoorwegovergang en onze school. Aan de andere kant naar rechts liep een klein straatje dat ook Torenstraat heette, naar de Grotestraat. Dat straatje was links helemaal geblokkeerd door een grote muur, de muur van Waanders. De familie Waanders woonde aan de Grotestraat en ze hadden een hele grote tuin die achter het huis lag en dus omzoomd was door die muur. Je kon er niet op klimmen, want dat was gevaarlijk, er zaten stukjes glas bovenop de muur, Waanders hield niet van pottenkijkers. Wat er in die tuin gebeurde heb ik nooit gezien, je hoorde er nooit iets. Rechts stond ons pakhuis en er waren geen stoepen, het was een somber geheimzinnig straatje. Verder weer de Torenstraat in, rechts in de bocht, woonden de dames De Nooij, ongetrouwd en tantes of oudtantes van mijn vriendje Co, die daar weer naast woonde. Wij gingen veel om met de familie De Nooij, ze hadden ook vier kinderen, in onze leeftijd, we zeiden oom en tante tegen ze, wat trouwens een rare gewoonte was, ik had een tante Hennie, tante Gerda, tante Riek, tante Mies en die waren geen van allen familie. Ik had wel een stuk of 20 echte tantes, daar vertel ik nog wel eens over. De familie De Nooij was ook gereformeerd, maar anders, vrolijker. Het was een druk gezin, er werd veel gelachen en geschreeuwd, het ging er nogal uitbundig aan toe. We vierden een aantal jaren samen kerstfeest, meestal bij ons. Mijn moeder schonk warme chocolademelk en er was krentebrood. De kaarsjes werden aangestoken, ook in de kerstboom. Daar stond een emmer water naast. Mijn zus Hanneke speelde op het harmonium, later de piano. Ik begeleidde op de blokfluit. De rest zong. Kerstliedjes, nu sijt wellecome en in de hoge, de hoge. Meestal moest ik een stukje uit de bijbel voorlezen, over keizer Augustus, die iets bedacht had. Ik was in augustus jarig. Ik kwam vaak bij de familie De Nooij en vond het daar wel leuk. Maar ik voelde me nooit helemaal op mijn gemak, ook omdat ze elkaar en dus ook mij nogal eens in de zeik namen. Ik was vaak verkouden en snoot mijn neus dan in een zakdoek. Die zat in mijn zak gepropt dus om hem wat los te maken, draaide ik er altijd een rondje mee. Een aanwensel. Daar moesten ze erg om lachen en ze deden me na. Een paar dagen later waren ze zelf verkouden. Er mocht ook meer dan bij ons, vooral op zondag. Naar het voetballen op de radio luisteren en, wat ik geweldig vond, naar hoorspelen luisteren. Paul Vlaanderen en Monus de Man van de Maan, een spannend en mysterieus verhaal. Ik hield van Science Fiction, ‘saaie fiktie’ zei mijn jongere zusje. Als het gesneeuwd had, toen ieder jaar, maakten Co en ik een sneeuwhut in hun tuin. Van sneeuw blokken maken, die op elkaar stapelen, water erover, nachtje wachten en weer water. Zo werd het een iglo, als het af was gingen we erin zitten, het was er donker en helemaal niet koud. We dronken er water, klopten tegen het ijs en wisten het verder ook niet meer. En dan gingen we de hut verfraaien of iets heel anders doen, bij de slager kijken of zo.

ouwe huuslordNa het huis van De Nooij liep de Torenstraat met een lichte bocht naar de Molenstraat. Dat hoorde niet meer bij ons domein, maar wel gingen we vaak even om de hoek kijken, naar de etalage van Het Ouwe Huus. Dat was een rommelwinkel annex warenhuis van Lord van Wijhe. Het leek een beetje op De Kleine Hema in Veenendaal, dat we De Kleine Hemel noemden. Lord heette niet echt Lord maar Gerrit-Jan, wat we toen niet wisten. Hij was een excentrieke kleurrijke man, woonde er met zijn zus, was een niet helemaal doorgebroken toneelspeler en wist de boel op stelten te zetten. Vooral tijdens de Heideweek. De Heideweek was elk jaar in augustus en het was voor ons het hoogtepunt van het jaar. Er gebeurde weer eens wat. Carnaval daarmee moest je in Ede niet aankomen, maar de Heideweek was net zoiets. Het was altijd prachtig weer, de opwinding hing al dagen van te voren in de lucht. Er werd een Heidekoningin gekozen, dat moest uiteraard een mooi meisje zijn, hoewel ik er vaak niks aan vond. Meestal leken ze op mijn tante Sjaan. De etalagewedstrijd werd voorbereid. Zo’n wedstrijd hield in dat alle winkels iets met hei moesten doen in hun etalage. Er kwam een heuse jury langs. Wij deden ook altijd mee. Ik mocht dan met mijn vader en een knecht in het bestelbusje mee naar de Ginkelse hei, een paarse zee langs de rijksweg Ede – Arnhem. De zelfde plek waar we later met zijn vijven een wedstrijdje deden wie het eerste klaar kwam. We plukten zoveel hei als we nodig hadden en reden ermee naar huis. Onze etaleur ging dan aan de slag, hij bouwde een tafereel met stoelen, tafels, kastjes, karpetten en gordijnen. En heel veel paarse hei natuurlijk, vaak ook levende dieren: kippen, lammetjes of konijnen. Ik mocht altijd helpen of op zijn minst toekijken. We kregen een paar keer een eervolle vermelding en zelfs eens de tweede prijs. In het begin van de Heideweek was er een optocht, een rijdende stoet met mooi versierde praalwagens, alle muziekgezelschappen die Ede rijk was, verenigingen als mijn D.O.K. (door oefening kracht) en auto’s met heel veel reclame. Het Molenstraatstukje van Lord werd in de Heideweek omgedoopt tot Lord van Wijhestraat. Daar organiseerde Lord de leut – polonaises, spelletjes, stoelendansen. In 1955 ging de Heideweek niet door. De regering had een bestedingsbeperking afgekondigd en de gemeenten moesten het rustig aan doen. Dat zinde Lord van Wijhe in het geheel niet. Hij regelde een koets met een open doodskist, waarin Hennie van Zoelen was gelegd. Zo trok er toch een stoet door Ede, allen in stemmig zwart, compleet met hoge hoed. Muzikanten van de Harmonie speelden treurmuziek, afgewisseld met het lied ‘op de grote stille heide’. Dit werd Lord door de autoriteiten niet in dank afgenomen. Dominee Slingenberg was ook niet blij, toen Lord bij kapper Idema in de Grotestraat een spandoek had opgehangen met de tekst: ‘Laat U zich bij kapper Idema scheren, en bij dominee Slingenberg bekeren!’ Nog dezelfde avond werd het spandoek verwijderd. Dat dan weer wel.                                                                                          (slot volgt morgen)

ginkel

Advertenties

One thought on “TRAMMELANT IN DE TORENSTRAAT (1)

  1. dit zag ik nooit eerder 🙂
    een jeugd als de mijn , al was ik 8 in ’58
    en speelde zich af in Tuindorp – Nieuwendam , maar bij het wat ouder worden vooral in de Warme buurt 🙂
    een pracht tijd eigenlijk ongeacht waar je woonde

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s