LIEGBEEST

Mijn vader had een winkel in woninginrichtingspullen aan de Grotestraat in Ede. Soms werd ik opgetrommeld om mee te helpen. Kleden sorteren, pakjes wegbrengen en ook ging ik wel met een knecht mee op karwei. Bijvoorbeeld colovinyltegels leggen. Dat ging als volgt. We zetten een petroleumkachel aan, lekker stinken. Ik hield een tegel boven de kachel tot hij zacht en buigzaam was. Daarna gaf ik hem aan de knecht die de vloer al met lijm had ingesmeerd en de tegel bevestigde. Soms moest een tegel pasklaar geknipt worden of er moesten restanten van de vloer geschraapt. Asbest dwarrelde vrolijk in het rond. Soms kreeg ik hier iets voor betaald, het gebeurde ook wel dat we van de klant een fooi kregen. Maar ik vond het leuk en stoer werk, dat is ook een beloning. En die kanker die komt dan nog wel.

duimstokMinder leuk vond ik de volgende werkjes. Zoals alle winkeliers had ook mijn vader last van wanbetalers. Hij had daar allerlei trucjes voor. Rekeningen blijven sturen, regelmatig opbellen of langs gaan. Als de wanbetaler een zaak had, werden wij erop afgestuurd. Normaal kochten we alleen bij winkeliers die bij de kerk hoorden, maar nu mochten we ook naar de roomsen en andere heidenen. Vooral eigenlijk. We kochten dan iets en als we het product al dan niet ingepakt in handen hadden, moesten we zeggen: ‘Schrijf maar op voor Stomp.’ Dat werkte prima. Zo prima, dat ik ook aan een eigen nering begon. De knechten in de werkplaats maakten gebruik van duimstokken, die je uit kon klappen. Zo had je niks, zo had je een duimstok van een paar meter. Die wilde ik ook wel. Dus ging ik naar Van Zoelen en bestelde een duimstok. Toen ik die had zei ik: ‘Schrijf maar op voor Stomp.’ En ik ging apetrots met mijn duimstok naar huis. Mijn vader vroeg: ‘Hoe kom je daaraan?’ En dus moest ik weer terug naar Van Zoelen, met mijn duimstok en de mededeling dat het een vergissing was.

kapperEen ander niet leuk werkje ging als volgt. Een kapper aan de Bunschoterweg, Kapper Gunst, had een kast gekocht en niet betaald. Na de gebruikelijke riedel van brieven, telefoontjes en andere druk kwamen mijn vader en Kapper Gunst tot een overeenkomst. Elke week zou zijn zoon een kwartje komen halen, tot de kast was betaald. Stiekem hoopte mijn vader dat Kapper Gunst dat zo zat werd, dat hij uiteindelijk zou betalen. Een vooruitziende blik! Mijn vader had maar één zoon en dat was ik en dus was ik de klos. Elke woensdagmiddag ging ik met lood in mijn schoenen naar de Bunschoterweg, naar Kapper Gunst om een kwartje te halen. Dat ik dat kwartje mocht houden was een schrale troost. Ik vroeg mijn vader wat de kast gekocht had. 110 gulden. Ik was toen 11 jaar en rekende uit dat ik 20 zou zijn, als de kast was afbetaald.

kwartjeOmdat ik er zo’n bloedhekel aan had, stelde ik de tocht naar de Bunschoterweg vaak uit tot laat op de middag. Maar dan was mijn hele middag verpest, dus ging ik voortaan na het middageten om een uur of twee. Hoewel het niet ver was, ging ik op de fiets, Torenstraat, straatje van Waanders in, Grotestraat, linksaf de Bergstraat in en dan weer linksaf. Dat was de Bunschoterweg. Op de hoek zag ik dan al het gehate kappersteken, halverwege links, een witrode stok aan de gevel. En de fietsen voor de kapperszaak. Hoe meer fietsen, hoe meer ellende. Ik zette mijn fiets altijd aan de overkant, zodat ze me nog niet zagen en ik snel weg kon. Op het raam stond met grote letters: Kapper Gunst knipt uit de kunst. Dat soort kreupelrijm was toen in de mode. Mijn vader reed in een auto rond met een groot bord erop met de spreuk: In afwerking en stijl Op ’t hoogste peil. Ik begreep daar niet veel van, maar vond het wel behoorlijk wervend. Meer dan die ‘uit-de-kunst-kapper’.

d het hoogste peilAls je de deur opendeed hoorde je een jengelbelletje. Door dat belletje keek iedereen in de zaak naar wie er binnenkwam. De kapsalon deed zijn naam geen eer aan. Bij kapsalon dacht je aan veel wit en licht en ramen, zoals bij Zomerhuis in de Grotestraat. Ook dacht je aan de knappe zoon van koning David, die met zijn mooie, lange haren in een boom verstrikt raakte en toen werd omgebracht. Hij heette Absalom en volgens ons was het geen toeval dat dat rijmde op kapsalon. Nou bij kapper Gunst geen kapsalon en geen Absaloms. Het was eigenlijk een soort huiskamer. Links stonden twee verstelbare knipstoelen voor twee grote spiegels. Daar stond ook Kapper Gunst, een gedrongen bromsnorachtige man, hij had ook een snor en hij keek nooit blij. Maar dat kon ook door mij komen. Meestal zaten er zo’n drie of vier klanten, rechts langs de wand, op stoelen bij twee tafeltjes met geïllustreerde bladen en een asbak, want er werd gerookt bij het leven en het stond er blauw van de rook. Een keer pakte een oud mannetje dat bij de deur zat mij bij de arm en trok me naar zich toe. Hij had een gerimpeld gezicht en bloeddoorlopen ogen. Hij fluisterde in mijn oor: ‘Zal ik jou eens lekker in je kontje knijpen?’ Ik keek naar zijn bruine, rotte tanden, zag sliertjes speeksel, rukte me los en zei: ‘Nee dank u.’ Kapper Gunst had het wel gezien en hij zei: ‘Hou je gemak, Bennie.’ Maar ik zag aan zijn gezicht dat hij het niet zo heel erg vond. Een andere keer ging er een grote man met een bierbuik en een neus als een oude aardappel staan, zodra ik binnenkwam. Ik had hem wel eens in het dorp zien lopen, hij had een kale kop met vijf haren eroverheen gekamd, wat deed hij bij de kapper? Hij stak zijn armen in de lucht en riep: ‘Halleluja, prijs den heer, de firma Stomp is er weer.’ Dikke lol. Allemaal socialisten, dacht ik. Maar meestal gebeurde er niks. Ze keken allemaal naar me bij binnenkomst en daarna ging iedereen zijn gang weer. Kapper Gunst knipte of schoor, de mannen lazen, schreeuwden over voetbal, iets met de Edesche Boys of Wageningen, dat toen aardig hoog speelde, of ze zaten te hannesen met shag en vloeitjes. Kapper Gunst liet me dan zo’n 5 minuten staan en liep dan tergend langzaam naar de hoek waar een witblauw doosje stond, waar rollen King in hadden gezeten en haalde er een kwartje uit. Maar vaker nog 25 cent aan stuivers en centen. ‘En nou wegwezen’, siste hij dan en ik gaf daar maar wat graag gevolg aan. Ik rende naar mijn fiets, suisde de Bergstaat af en ging nog wat leuks maken van mijn vrije woensdagmiddag.

Op een woensdagmiddag gingen we voetballen op het Concordiaveldje bij de melkfabriek, langs het spoor. Dat ging er vaak heet aan toe en ik was toen net aardig fanatiek achterspeler en vergat er alles voor. Na het voetballen gingen we vaak bij de melkfabriek langs en kregen daar vers van het vat heerlijk koude melk of karnemelk te drinken. Pas toen ik thuis was bedacht ik dat ik het kwartje was vergeten. Maar het was al laat, dus het kon de volgende dag ook wel. Donderdag na schooltijd ging ik rechtstreeks op de fiets naar de Bunschoterweg. Op de hoek zag ik het gehate kapperssymbool, maar geen fietsen. Ik zuchtte van opluchting, dat ging gemakkelijk gaan. Ik zette mijn fiets uit gewoonte aan de overkant en stak de straat over. Ik zag niemand, ook geen licht branden. Voorzichtig probeerde ik de deur, die ging open, het belletje klonk zachtjes. Ik zag niemand, hoorde wel geluid uit de kamer erachter. Wat te doen. Ik stond even en liep toen toch maar naar de deur die op een kier stond. Ik deed de deur iets verder open en zag Kapper Gunst. Maar niet alleen. Het was een raar tafereel. Kapper Gunst leunde tegen een kast, ongetwijfeld de kwartjeskast, voor hem zat een mevrouw op haar knieën en ze bewoog met haar hoofd. Ze deed iets met de broek van Kapper Gunst, was die kapot? Ik stapte aarzelend naar binnen en wilde zeggen: ‘Ik kom voor het kwartje.’ Maar ik kwam niet verder dan ‘ik kom’. Kapper Gunst kwam ook. Op me af. De mevrouw kwam omhoog. Met een vloek gaf Kapper Gunst me een lel tegen mijn hoofd en riep: ‘Opgesodemieterd, kleine etter!’ Ik schrok me rot, vloog de kapsalon weer in, naar de buitendeur, die ik open gooide zonder hem dicht te doen en holde de Bunschoterweg uit. Op de hoek aangekomen hoorde ik het belletje nog als een gek tekeer gaan. Ik voelde aan mijn hoofd, hij had me geraakt aan de rechterkant op mijn wang en voorhoofd, vlak bij mijn oog. Het gloeide en klopte. Huilend liep ik naar huis. Mijn moeder keek naar me en zei: ‘Wat is er met jou aan de hand?’ Ik zei: ‘Ik ben gevallen’, en ging binnen zitten lezen zonder dat er iets tot me doordrong. Wat was er gebeurd? Wat had ik gezien? Ik kwam er niet uit en besloot dat Kapper Gunst gewoon een enorme lul was.

schoolDe volgende dag, vrijdagochtend, ging ik naar school. Ik wilde mijn fiets pakken, maar hij stond er niet. Verrek, op de Bunschoterweg laten staan. Ik was ruimschoots op tijd, dus ik kon hem nog halen. Ik liep er heen, voelde me niet helemaal op mijn gemak, bij Kapper Gunst zag ik niets bijzonders, de kapsalon was nog niet open. Mijn fiets stond er nog en ik had hem niet eens op slot gedaan. Net toen ik weg wou rijden, ging de deur van het huis naast Kapper Gunst open en kwam er een jongen naar buiten. Ik kende hem wel. Het was Gerrit en nog wat. Hij zat bij mij op school in de klas van mijn vriend Jan, maar hij was een aap en ik een beer. Misschien verdient dit enige toelichting. De School Met De Bijbel waar we op zaten kende twee afdelingen, een school die in april begon, de A-school, en een school die in september begon, de B-school. Het nut hiervan was mij onduidelijk, want de apen moesten in de zesde klas toch tot september wachten voor ze naar het vervolgonderwijs konden. De apen en beren mochten elkaar niet, er werd vaak gevochten wat streng werd bestraft en de speelkwartieren waren op verschillende tijden. Gerrit en nog wat ging dus naar school. Maar hij stond daar niet alleen, achter hem stond zijn moeder die hem gedag zei. Het was de mevrouw met de rode krulletjes. Gerrit liep weg en ik fietste naar school.

Op het schoolplein zag ik Gerrit en nog wat weer. Ik liep naar hem toe en zei: ‘Ik heb gisteren bij Kapper Gunst je moeder gezien. Ze was zijn broek aan het naaien.’ Gerrit dacht even na en gaf me toen een duw en riep: ‘Liegbeest!’ Ik gaf een harde duw terug en zei: ‘Je bent zelf een liegbeest.’ Voor ik het wist lagen we op de grond in een kluwen van armen en benen. Apen en beren kwamen aangesneld en gingen eromheen staan en scandeerden ‘ruzie, ruzie, ruzie’. Al gauw kwam meester Sellies aanstieren, hij pakte ons bij het nekvel en riep: ‘Ophouden!’ Hij overhandigde Gerrit en nog wat aan een apenmeester en sleurde mij mee de berenschool in. Ik kreeg een preek, strafwerk en een brief. Dat was de afspraak bij vechten, je vader moest de brief lezen en ondertekenen en dan moest jij hem weer inleveren. Tussen de middag voor het eten gaf ik de brief aan mijn vader. Die las hem en vroeg waarom ik gevochten had, ik zei dat Gerrit en nog wat me had uitgescholden. Om de aandacht af te leiden zei ik: ‘Ik ga geen kwartjes meer halen bij Kapper Gunst, ze lachen me daar altijd uit.’ ‘Dat is ook toevallig’, zei mijn vader, ‘hij heeft net vanmorgen alles betaald.’

Tijdens het weekend, toen nog zaterdagmiddag en zondag, dacht ik nog veel terug aan Kapper Gunst en de mevrouw met de rode krulletjes die de moeder van Gerrit was gebleken en aan onze vechtpartij. Maar de maandag kwam er weer aan en ik moest het psalmversje nog leren. Iedere maandagochtend moesten we een voor een voor de klas komen en een van buiten geleerd psalmversje opzeggen. Dit keer waren het vier coupletten. Ik had echt de pest aan voor de klas staan, alle kinderen keken naar je en dus raffelde ik het altijd snel op, kende het gelukkig altijd, had meestal een tien voor psalmversje op mijn rapport. Maandag na schooltijd liep ik met mijn vriendje Jan op. Hij zei: “Die Gerrit hè, waarmee jij aan het vechten was, die is van school.’ Ik keek hem ongelovig aan. ‘Ja echt, de meester zei dat hij niet meer op school komt en met zijn moeder ergens anders gaat wonen.’ ‘Nou, mij best, dat liegbeest.’ Thuis pakte ik de fiets, daar wilde ik meer van weten. In de Bunschoterweg was het rustig, bij Gerrit en nog wat zag ik niks. En bij Kapper Gunst ook niet. Er stonden geen fietsen en op het raam zat een briefje waarop stond ‘Tijdelijk gesloten.’ Maar goed dat hij de kast betaald had. Een paar dagen later zag ik Kapper Gunst op de markt lopen. Op krukken. Zijn rechterbeen zat in het gips. Nou, dan voelde hij ook eens iets.

guldenAl gauw vergat ik het. Mijn vader had namelijk een andere bron van inkomsten bedacht. Er gingen nog steeds rekeningen naar klanten en wanbetalers. Als ik die nou eens ging bezorgen dan deelden we de winst. Ik kreeg 5 cent per brief en hij de rest, 20 brieven één gulden twee uur werk. Dus ging ik op woensdagmiddag voortaan brieven bezorgen, in het dorp maar meer nog in de buitenwijken. En wat ik toen een keer heb meegemaakt…

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s