LEZEN: EEN JEUGD VOL BOEKEN

Al van jongs af aan is lezen mijn lust en leven. Dat begon al vroeg. Bij ons thuis werd gelezen. Het belangrijkste en meest gelezen (minstens na elke maaltijd) was de bijbel. En allerlei daaromheen figurerende boeken, boekjes en traktaten, die uitleg, exegese en toelichting gaven. Dat was handig als je een inleiding moest houden op de jongelingenvereniging (JV, genaamd Timotheus hoofdstuk zoveel vers zoveel, ik weet dat niet meer). En mijn vader zat op een mannenvereniging, die gebruikte de boekjes ook. Ik herinner me een serie als rouwkaarten zwartomrande boekjes voor elk bijbelboek één, die als ik me niet vergis nog steeds bij ons op zolder liggen. Verder las mijn vader niet veel, ik kan me dat tenminste niet herinneren. Volgens mijn oudste zus las hij wel boeken van Hans Martin (ik herinner me vaag de titel Vrijgevochten), want daarin kwamen pikante passages voor. Die boeken stonden weggestopt in een kast. Mijn moeder las streekromans en populaire schrijvers als Anne de Vries (Bartje) en Cor de Bruyn (Sil de Strandjutter, door ons Sul de Strondjatter genoemd). Ook waren we geabonneerd op een serie zwaar in kunstleer gebonden boeken van een of andere vereniging tot het nut van het algemeen. En op tijdschriften. De Spiegel, weekillustratie voor het Christelijk Gezin, ik heb er nog een paar. En Prinses, Damesweekblad op Protestants-Christelijke basis. Verder was ik (wij?) geabonneerd op het protestants-christelijke stripblad Arend (coproductie van het Engelse Eagle). Daar smulde ik van. Een SF-strip met Daan Durf (Dan Dare). Een historische strip met de Franse jongen Joop Lantaarn. En de onverschrokken cowboy Jeff Arnolds. Om maar te zwijgen van Lettie Droeflot en Wouter Wegenwacht. Zo is mijn stripverslaving begonnen. Na een jaargang werden de nummers (16 pagina’s, 25 cent per stuk) ingebonden. Ik had drie jaargangen, maar kwam later op het onzalige idee de vervolgverhalen eruit te verzamelen en als apart verhaal in te binden met plakband. Die heb ik wel nog steeds. De rest zal ook wel op zolder liggen. Op Catawiki, de website voor verzamelaars, waaronder dus een hele goeie site voor strips, worden er nog wel eens jaargangen van Arend aangeboden.

spiegelsprinsesarend

We woonden in Ede aan de Grotestraat, tegenover de hervormde kerk, hoek Torenstraat. Op de hoek ertegenover was het café ‘Onder de Toren’ van Van der Horst, daar kwamen veel soldaten, maar wij bij voorkeur niet. Als je met je neus naar ons huis toe stond, was links de winkel en rechts het woonhuis, gescheiden door een lange gang met een voordeur. De huiskamer was aan de kant van de Grotestraat, twee ramen keken daarop uit. We zagen dus de toren en soms dronken soldaten. We hoorden door gewenning de torenklok niet meer, maar logés konden er soms niet van slapen. In de huiskamer stond aan de straatkant een ameublement met erop groen ribfluweel. Een zgn. luie stoel, een grote bank en rechts voor tegen de muur bij het raam een kleine bank. Op die kleine bank (waar je ook onder kon!) lag ik als het even kon op mijn buik, gezicht naar het raam, te lezen. Omdat ik nogal astmatisch was, lieten ze me vaak mijn gang maar gaan, waar ik uiteraard dankbaar misbruik van maakte. Hoe zag het woonhuis er eigenlijk verder uit? In 1953 verhuisden we naar boven en werd beneden alles winkel. Dus toen was ik 9. Wat weet je dan nog van de tijd daarvoor. Ik doe een poging, en geef een rondleiding.

IMG_0103 - kopie

Achterin de huiskamer staat een eettafel met 6 stoelen. Tegen de wand uiteraard een groot dressoir. In de hoek staat een stok met een zgn. zeiltje eromheen. Voor het eten moet ik dat zeiltje op tafel uitrollen en de tafel dekken. (Later moest ik ook aardappels schillen. Wat deden mijn 3 zusjes eigenlijk?) Na het eten moet ik het zeiltje schoonmaken en weer oprollen. Een verantwoordelijke taak. Links in de huiskamer is een deur naar de gang. In de gang zie je links een schuifdeur naar een rommelhok. Daar staat een grote geglazuurde donkerbruine pot met een houten deksel erop. Daar zit ingezouten groente in. Maar wat, snijbonen? En er staat een trapnaaimachine. Mijn moeder naait en verstelt er kleren, maar naait ook gordijnen voor de winkel. Ik mag er ook op. Ik ben in mijn kojbojtijd, dus heb ik er een holster genaaid voor mijn revolver. Als je via de gang meer naar achteren loopt, kom je bij een gangetje naar rechts. Daar is de w.c. Geen douche, wassen doen we in het badhuis of in een teil in de keuken. De keuken is aan het eind van het gangetje. Het is een ruimte met rondom muren. Het enige licht komt van boven, waar een raam zit dat je met een stok kan open zetten. Terug naar de centrale gang. Nog verder naar achteren, aan het eind, kom je bij een deur naar de werkplaats, een grote donkere rommelige ruimte met een enorme houten tafel op schragen. Daaraan werken enkele knechten. Zo noemen we dat in de jaren 50. We lopen door de werkplaats, alleen Bart en Knijf zijn aan het werk. Bart stoffeert een grote fauteuil, hij knipt in een stuk rode stof met grote bloemen. Knijf is aan het lijmen, hij hanteert grote ijzeren klemmen waarmee stukken van een kast worden vastgezet. Achterin de werkplaats is een deur naar een kort gangetje waar enkele fietsen staan. Rechts komt dit gangetje (zijn jullie er nog?) bij de w.c. voor de knechten. Maar wij mogen er ook op. Aan het andere eind van het gangetje is de achterdeur, de deur naar de Torenstaat. Maar daar gaan we nog niet heen. Links in het gangetje namelijk, en nu wordt het eng, is een schuifdeur naar de toonzalen. ’s Avonds en in het weekend is het in de enorme werkplaats en in het gangetje nogal duister, doodstil en eenzaam. Maar erger nog is het de schuifdeur naar de toonzalen open te doen. Vage schimmen tekenen er zich af in het lantarenlicht uit de Torenstraat. Sinistere vormen, iets kraakt, geritsel. (Ik moet daar eens heel bang zijn geweest, want ik heb jarenlang periodiek een nachtmerrie gehad. Ik ging het gangetje in, schoof de deur open en zette een stap in het ongewisse. Besprongen door het donker schrok ik al dan niet met een schreeuw wakker.)

IMG_0149

Dus we gaan nu maar bij daglicht de toonzalen in. Het is een enorm, apart gebouw met twee verdiepingen. Boven zijn huiskamers en slaapkamers ingericht, daar kunnen klanten proefzitten of -liggen en iets uitzoeken. Komen ze er niet uit dan moeten ze naar Weijers in Arnhem, daar staat nog veel meer. Uiteraard kun je op de bovenverdieping geweldig verstoppertje spelen, maar dat doen we nu maar even niet. Met de trap naar beneden, daar staan in een hoek vele rollen zeil en balatum voor op de vloer. Loodzwaar zijn die. Aan de onder- en bovenkant zit ter bescherming een ronde schijf van hetzelfde materiaal. Met zo’n schijf kun je proma frisbeeën in de Torenstraat. Je moet wel uitkijken, want het is levensgevaarlijk. Raak je iemand in zijn nek dan realiseer je de natte droom van menig jihadist. Iets verder liggen er op twee vlonders stapels karpetten. Als een klant moet kiezen kun je ze half omslaan om die eronder te tonen. Maar sommige klanten willen ze helemaal zien of er een meenemen. Dan kom ik in actie. Met een knecht pak ik karpet na karpet, hij aan de ene korte kant, ik aan de andere. Als je handig bent, kom je in een bepaald ritme en dan gaat het snel. Tot je bij het bewuste karpet bent. En dan weer terug natuurlijk. We lopen nu de Torenstraat maar eens in. Lekker fris, koud eigenlijk. Dan moet ik dus kolen scheppen. Buiten aan het eind van de toonzalen, bij het steegje naar Breina, is een schuur. Daar is het kolenhok. Daar moet ik dus in de winter elke dag heen met de kolenkit. Door de vrieskou en de sneeuw. In deze schuur ligt ook veel papier en karton, verpakking van gebrachte goederen. Als het teveel wordt, mag ik het van mijn vader op de bakfiets wegbrengen naar de oudpapierhandelaar in de Bergstraat. Het geld mag ik houden, meestal een paar kwartjes. Ik prop het papier en karton in de bakfiets, ga op het zadel zitten en pak het stuur. Ik ben zo’n 14 jaar dus dat valt niet mee. Ik fiets van de Torenstraat rechtsaf het straatje van Waanders in, linksaf de Grotestraat en rechtsaf de Bergstraat in, langs het huis van Bart en zijn vrouw, ‘Bartzijnmoeder’. De Bergstraat, de naam zegt het al, loopt wat op, dat is zwaar fietsen. Terug kom ik dan ook in de problemen. De berg af, het gaat veel te hard, ik kan niet remmen, de trappers gehoorzamen niet en vliegen in het rond, ik zeil de Grotestraat in en dan neemt de vaart af. Gelukkig is het niet druk in de jaren 50 en ik leef nog.

Goed, op dat kleine groene bankje lag ik dus op mijn buik te lezen. Maar wat las ik dan zoal?

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s